Inicio
 
   
  Trilogía sucia de La Habana (story)  
 
Mijn kont in gevaar (etage)
Pedro Juan Gutiérrez

   Gelukkig werd ik slechts zeven dagen opgesloten. Een enorme vent was vastbesloten me in mijn kont te neuken en ik wist niets meer te verzinnen om het te voorkomen. Het enige wat me restte was een mes tussen z’n ribben steken. De hele tijd trok ik een serieus smoel, praatte met niemand, hield iedereen op armlengte afstand, maar hij provoceerde me zo verschrikkelijk dat ik hem uiteindelijk op een dag naar de keel vloog. Het was een boom van een kerel, net een achterlijke orang-oetan. In een vuistgevecht legde ik het af. De vent sloeg me k.o. Dus ik kon hem op die manier niet eens laten zien dat ik een man was. Niet dat het hem ook maar iets interesseert wat iemand is. Een ander vertelde me dat hij er een uitpikt en hem volgt en bewerkt en zich uiteindelijk de toegang tot zijn kont forceert. Hiervoor deed hij het bij een jonge zwarte en die moesten ze met een bloeding linea recta naar het ziekenhuis brengen.

   Ik kwam eruit met een ongedeerd achterste en probeerde me een tijdlang gedeisd te houden. Tijdens de rechtszaak hadden ze me een boete gegeven van tienduizend pesos. Alleen maar omdat ze me betrapten met twintig langoustines. Als ze ook maar één dag eerder waren gekomen en me betrapt hadden met het rundvlees, had ik drie of vier jaar gekregen. Dan was mijn kont wél aan flarden gegaan, en mijn trommelvliezen waarschijnlijk ook.

   Ik vond een walgelijk baantje. In het slachthuis, werken met gehakt sojavlees. De hele dag dozen sjouwen met halfrotte huiden, koeiensnuiten, ingewanden, vet, ogen, oren, de hele stinkende shit waar niemand een idee van heeft. De meest walgelijke troep. Een neger en ik zetten de dozen dicht bij de molen. De dozen met soja kwamen van de andere kant binnen. En weer twee anderen wogen de ingrediënten af voor het gehakt. ‘Proteïne. Veel proteïne voor het volk, makker!’ schreeuwde de kerel die aan het afwegen was over het geluid van de molen heen. En dan lachte hij, met zijn dikke, luie smoel. Ik heb nooit geweten of hij het voor de grap zei of niet. Meer conversatie zat er niet in. Híj praatte – ik wilde niet nog meer gezeik met de overheid en deed mijn mond niet open, omdat zelfs over proteïne praten politiek was. Voor mijn part gooiden ze er gif in om de hele bevolking uit te moorden en dan de yankees de schuld te geven. Kon mij ’t rotten. Ik dee’ niks.

   Maar het lijkt wel alsof de problemen gewoon vanuit de hemel op me vallen. Op een middag verlaat ik het slachthuis om vier uur. Ik wachtte niet eens op de bus, ik ging lopen. Ik kruis Carlos III, loop via Espada naar San Lázaro en daar in een bar hebben ze een speciale rum uit Santiago, paticruzao. Shit, wat goed. Die kun je nooit ergens krijgen. Het is een heel open bar, in de wijk Cayo Hueso, maar lekker rustig op dit uur. Een toog met banken. Ze verkopen er ook soep en bouillon aan de armsten van de armsten. Ik ging op een hoek zitten. Ik vroeg een dubbele en die viel goed. Rum maakt me moe. Het verdooft me. Ik zit op een bank, dicht bij de stoep. De deuren zijn breed, van het soort dat naar boven glijdt. Ik hou ervan dicht bij de deuren te zitten. Als er gedonder is kun je meteen naar buiten.

   Degene die naast me zit te drinken begint me zijn verhalen te vertellen. Hij is lasser en een week geleden krijgt een heel speciaal baantje. Hij werkte een paar dagen van acht uur ’s ochtends tot tien uur ’s nachts en eindigde met brandende ogen, maar wel zes dollar verdiend. Zijn vrouw pakt ze hem af, koopt een paar gympen voor hun zoon, die al zonder schoenen liep, en in vier dagen maakt het jongetje ze stuk. ‘Dat is geen leven, man, zij die het land verlaten, doen er goed aan.’ En zo gaat het nog even door.

   Ik luisterde naar zijn verhaal, maar hield een mulattinnetje in de gaten dat rum dronk en zich goed vermaakte terwijl ze praatte met een heel dikke vrouw en een neger met wel zes kettingen om zijn nek. De neger betaalde voortdurend met biljetten van twintig. De mulattin hield mij ook vanuit haar ooghoeken in de gaten, en ik wilde naar haar toe bij de eerste gelegenheid die zich voordeed. Ik concentreerde me te veel op haar mond en haar tieten en al haar vrolijke levenslust, en ik kreeg een stijve. Flink hard. Het was al heel wat dagen geleden dat ik sex had gehad en deze mulattin ging ik me niet laten ontsnappen.

   De barkeeper was een enorme zwarte vent met een stoer killerssmoel, die iedere twee minuten herhaalde: ‘Ik heb krab enchiladas. Heel speciaal. Met een beetje pikant erdoor. Daarmee valt u zeker bij de vrouwtjes in de smaak later op de avond... Heet en gepeperd.’

   Ik had mijn tweede dubbele al bijna op als er ineens twee figuren in de deuropening verschijnen, achter me. Twee bloedende kerels, elkaar met messen bewerkend, wankelend, al halfdood. Iedereen ziet ze behalve ik, omdat ze achter me staan en ik niet op tijd reageer. Ze vallen boven op me. De twee vallen boven op me. Ze leken me behalve halfdood ook behoorlijk bezopen of knetterstoned. Ik probeerde van het bankje op te staan, maar de twee begaven het boven op mij. Een van hen snijdt me met zijn mes. Hij maakt een behoorlijke jaap in mijn arm en mijn rechterzij. Alles gaat zo snel dat ik het niet bevat. Ik weet niet waar ze ineens vandaan kwamen. In stilte. Niet één schreeuw, niet één kreun zelfs. Ze zijn allebei dood boven op mij. Ze vormen een bloederige massa. De bar is in een seconde leeg. De barkeeper is alleen, helemaal aan de andere kant van de bar. Zelfs de arme sloebers laten hun borden halfvol achter en vluchten.

   Er verschijnt een vrouw die iets schreeuwt en huilt: ‘Hij heeft hem vermoord, hij heeft hem vermoord!’ En ze omhelst een van de lijken.

   Ik probeer weg te komen, maar ik zit klem tegen de toog en de twee lijken en de vrouw blokkeren me de doorgang. Ondanks dat alles probeer ik toch te bewegen. Het beste wat ik kan doen is verdwijnen. Nee. Er is al een politieman gearriveerd. Hij grijpt me bij een arm en vraagt me om mijn identiteitsbewijs.

   Ik probeer met hem te praten: ‘Ik was hier wat aan het drinken.’ Maar ik geloof dat mijn stem het niet doet. Ik hoor mezelf bijna niet. Of ik hoor mezelf heel ver weg. Alsof ik tegen mezelf praat vanaf een grote afstand. Ik haal mijn identiteitsbewijs uit de achterzak van mijn broek en als ik het aan de politieman geef, zie ik dat ik overdekt ben met vers bloed. Dat van mij en dat van die mensen die hier zojuist doodgaan. Ik ben met bloed doordrenkt. Te veel bloed om onschuldig te lijken. Sterker nog, ik lijk wel schuldig.

   Daarna is het een kettingreactie: patrouillewagen–politiebureau–verklaring–ze begrijpen mijn verwondingen niet–en zo veel bloed voor iemand die niks weet–mijn enige getuige zoeken–de barkeeper van de bar–de vent verschijnt niet–tweeënzeventig uur preventieve hechtenis–totdat het is uitgezocht–er zijn andere gevallen–ze vergeten me–tien dagen zit ik opgesloten–gelukkig is het een andere plek–die vent die mijn kont zo lekker vond is daar niet–eindelijk laten ze me gaan–het werk in het slachthuis ben ik kwijt.

   Ik geloof dat ik terugmoet naar de smokkelwaar van langoustines en rundvlees.

© Pedro Juan Gutiérrez

   Mijn kont in gevaar opdraven in Dirty Havana.

Lezen overigens Niks te doen, Sterren en lafbekken, We kwamen de kooien uit, Vrolijk, vrij en lawaaiig, Twijfels, veel twijfels.
 
   
   
Arriba