| |
Gelukkig werd ik slechts
zeven dagen opgesloten. Een enorme vent was vastbesloten me
in mijn kont te neuken en ik wist niets meer te verzinnen
om het te voorkomen. Het enige wat me restte was een mes tussen
z’n ribben steken. De hele tijd trok ik een serieus
smoel, praatte met niemand, hield iedereen op armlengte afstand,
maar hij provoceerde me zo verschrikkelijk dat ik hem uiteindelijk
op een dag naar de keel vloog. Het was een boom van een kerel,
net een achterlijke orang-oetan. In een vuistgevecht legde
ik het af. De vent sloeg me k.o. Dus ik kon hem op die manier
niet eens laten zien dat ik een man was. Niet dat het hem
ook maar iets interesseert wat iemand is. Een ander vertelde
me dat hij er een uitpikt en hem volgt en bewerkt en zich
uiteindelijk de toegang tot zijn kont forceert. Hiervoor deed
hij het bij een jonge zwarte en die moesten ze met een bloeding
linea recta naar het ziekenhuis brengen.
Ik kwam eruit met een
ongedeerd achterste en probeerde me een tijdlang gedeisd te
houden. Tijdens de rechtszaak hadden ze me een boete gegeven
van tienduizend pesos. Alleen maar omdat ze me betrapten met
twintig langoustines. Als ze ook maar één dag
eerder waren gekomen en me betrapt hadden met het rundvlees,
had ik drie of vier jaar gekregen. Dan was mijn kont wél
aan flarden gegaan, en mijn trommelvliezen waarschijnlijk
ook.
Ik vond een walgelijk
baantje. In het slachthuis, werken met gehakt sojavlees. De
hele dag dozen sjouwen met halfrotte huiden, koeiensnuiten,
ingewanden, vet, ogen, oren, de hele stinkende shit waar niemand
een idee van heeft. De meest walgelijke troep. Een neger en
ik zetten de dozen dicht bij de molen. De dozen met soja kwamen
van de andere kant binnen. En weer twee anderen wogen de ingrediënten
af voor het gehakt. ‘Proteïne. Veel proteïne
voor het volk, makker!’ schreeuwde de kerel die aan
het afwegen was over het geluid van de molen heen. En dan
lachte hij, met zijn dikke, luie smoel. Ik heb nooit geweten
of hij het voor de grap zei of niet. Meer conversatie zat
er niet in. Híj praatte – ik wilde niet nog meer
gezeik met de overheid en deed mijn mond niet open, omdat
zelfs over proteïne praten politiek was. Voor mijn part
gooiden ze er gif in om de hele bevolking uit te moorden en
dan de yankees de schuld te geven. Kon mij ’t rotten.
Ik dee’ niks.
Maar het lijkt wel alsof
de problemen gewoon vanuit de hemel op me vallen. Op een middag
verlaat ik het slachthuis om vier uur. Ik wachtte niet eens
op de bus, ik ging lopen. Ik kruis Carlos III, loop via Espada
naar San Lázaro en daar in een bar hebben ze een speciale
rum uit Santiago, paticruzao. Shit, wat goed. Die
kun je nooit ergens krijgen. Het is een heel open bar, in
de wijk Cayo Hueso, maar lekker rustig op dit uur. Een toog
met banken. Ze verkopen er ook soep en bouillon aan de armsten
van de armsten. Ik ging op een hoek zitten. Ik vroeg een dubbele
en die viel goed. Rum maakt me moe. Het verdooft me. Ik zit
op een bank, dicht bij de stoep. De deuren zijn breed, van
het soort dat naar boven glijdt. Ik hou ervan dicht bij de
deuren te zitten. Als er gedonder is kun je meteen naar buiten.
Degene die naast me zit
te drinken begint me zijn verhalen te vertellen. Hij is lasser
en een week geleden krijgt een heel speciaal baantje. Hij
werkte een paar dagen van acht uur ’s ochtends tot tien
uur ’s nachts en eindigde met brandende ogen, maar wel
zes dollar verdiend. Zijn vrouw pakt ze hem af, koopt een
paar gympen voor hun zoon, die al zonder schoenen liep, en
in vier dagen maakt het jongetje ze stuk. ‘Dat is geen
leven, man, zij die het land verlaten, doen er goed aan.’
En zo gaat het nog even door.
Ik luisterde naar zijn
verhaal, maar hield een mulattinnetje in de gaten dat rum
dronk en zich goed vermaakte terwijl ze praatte met een heel
dikke vrouw en een neger met wel zes kettingen om zijn nek.
De neger betaalde voortdurend met biljetten van twintig. De
mulattin hield mij ook vanuit haar ooghoeken in de gaten,
en ik wilde naar haar toe bij de eerste gelegenheid die zich
voordeed. Ik concentreerde me te veel op haar mond en haar
tieten en al haar vrolijke levenslust, en ik kreeg een stijve.
Flink hard. Het was al heel wat dagen geleden dat ik sex had
gehad en deze mulattin ging ik me niet laten ontsnappen.
De barkeeper was een
enorme zwarte vent met een stoer killerssmoel, die iedere
twee minuten herhaalde: ‘Ik heb krab enchiladas.
Heel speciaal. Met een beetje pikant erdoor. Daarmee valt
u zeker bij de vrouwtjes in de smaak later op de avond...
Heet en gepeperd.’
Ik had mijn tweede dubbele
al bijna op als er ineens twee figuren in de deuropening verschijnen,
achter me. Twee bloedende kerels, elkaar met messen bewerkend,
wankelend, al halfdood. Iedereen ziet ze behalve ik, omdat
ze achter me staan en ik niet op tijd reageer. Ze vallen boven
op me. De twee vallen boven op me. Ze leken me behalve halfdood
ook behoorlijk bezopen of knetterstoned. Ik probeerde van
het bankje op te staan, maar de twee begaven het boven op
mij. Een van hen snijdt me met zijn mes. Hij maakt een behoorlijke
jaap in mijn arm en mijn rechterzij. Alles gaat zo snel dat
ik het niet bevat. Ik weet niet waar ze ineens vandaan kwamen.
In stilte. Niet één schreeuw, niet één
kreun zelfs. Ze zijn allebei dood boven op mij. Ze vormen
een bloederige massa. De bar is in een seconde leeg. De barkeeper
is alleen, helemaal aan de andere kant van de bar. Zelfs de
arme sloebers laten hun borden halfvol achter en vluchten.
Er verschijnt een vrouw
die iets schreeuwt en huilt: ‘Hij heeft hem vermoord,
hij heeft hem vermoord!’ En ze omhelst een van de lijken.
Ik probeer weg te komen,
maar ik zit klem tegen de toog en de twee lijken en de vrouw
blokkeren me de doorgang. Ondanks dat alles probeer ik toch
te bewegen. Het beste wat ik kan doen is verdwijnen. Nee.
Er is al een politieman gearriveerd. Hij grijpt me bij een
arm en vraagt me om mijn identiteitsbewijs.
Ik probeer met hem te
praten: ‘Ik was hier wat aan het drinken.’ Maar
ik geloof dat mijn stem het niet doet. Ik hoor mezelf bijna
niet. Of ik hoor mezelf heel ver weg. Alsof ik tegen mezelf
praat vanaf een grote afstand. Ik haal mijn identiteitsbewijs
uit de achterzak van mijn broek en als ik het aan de politieman
geef, zie ik dat ik overdekt ben met vers bloed. Dat van mij
en dat van die mensen die hier zojuist doodgaan. Ik ben met
bloed doordrenkt. Te veel bloed om onschuldig te lijken. Sterker
nog, ik lijk wel schuldig.
Daarna is het een kettingreactie:
patrouillewagen–politiebureau–verklaring–ze
begrijpen mijn verwondingen niet–en zo veel bloed voor
iemand die niks weet–mijn enige getuige zoeken–de
barkeeper van de bar–de vent verschijnt niet–tweeënzeventig
uur preventieve hechtenis–totdat het is uitgezocht–er
zijn andere gevallen–ze vergeten me–tien dagen
zit ik opgesloten–gelukkig is het een andere plek–die
vent die mijn kont zo lekker vond is daar niet–eindelijk
laten ze me gaan–het werk in het slachthuis ben ik kwijt.
Ik geloof dat ik terugmoet
naar de smokkelwaar van langoustines en rundvlees.
© Pedro Juan Gutiérrez
Mijn kont in
gevaar opdraven in Dirty
Havana.
|