Inicio
 
   
  Trilogía sucia de La Habana (story)  
 
Niks te doen (etage)
Pedro Juan Gutiérrez

   Rond het middaguur ging ik mijn tante in Oud Havana bezoeken. Ze heeft kanker aan de ingewanden. De artsen hebben haar al opgegeven. Ze willen haar niet in het ziekenhuis hebben omdat ze niet zouden weten wat ze met haar moesten. Artsen zijn goede diplomaten. Nooit zullen ze hun onwetendheid of vergissingen laten zien. Dat wil zeggen, hun vergissingen begraven ze. En onwetendheid kun je altijd vermommen. Tegen mij zeiden ze: ‘Uw tante zit in de terminale fase. U moet haar thuis houden. Ze heeft hooguit nog twee weken te leven.’ De oude vrouw lijdt al twee jaar, gek van de pijn, met bloedingen, ontzet van angst voor de dood. Het is altijd een vals kreng geweest, maar ik geloof niet dat God iemand zó moet straffen. Niet dat God ruimte laat voor discussie.

   Een buurvrouw verzorgt haar. Ik betaal haar een paar pesos en ze probeert haar min of meer te helpen. Het doet me al niks meer haar zo gek van de pijn te zien, en mager als een skelet. Een mens went overal aan.

   Ik vertrok weer, langzaam wandelend. Op zaterdag zijn er weinig bussen in Havana. Bijna niet één. Het beste is om je niet druk te maken. Je tante gaat dood aan kanker, er is nauwelijks eten, er zijn geen bussen, ik heb geen werk. Het beste is om je niet druk te maken. De krant van vandaag had op de voorpagina een interview afgedrukt met een belangrijke en opschepperige minister. Dik en breed glimlachend zei de vent: ‘Cuba is noch een paradijs noch een hel.’ Ik zou hem gevraagd hebben: ‘En wat is het dan, het voorgeborchte?’ Maar nee. De journalist glimlachte slechts tevreden en gebruikte deze zin als vette kop op de voorpagina.

   Ik was heel relaxed, had veel sex en een kalme geest. Niet bedrukt. Zorgen zijn er altijd. Maar ik kon ze nu een beetje van me af schuiven. Ik schoof ze een stukje de toekomst in. Dat is een goede manier om ze wat schimmiger te maken en er niet naar te luisteren. Ik had een vrouw in huis. Ik had weer een paar kilo gewicht terug. En ik leefde. Met niets om handen. Overleven heet dat, volgens mij. Je laat de tijd verstrijken en je verwacht niets meer. Net zo makkelijk.

   Tegenover het Nationaal Museum wandelden langzaam twee heel dikke toeristen, groot waren ze, lelijk, wit, verbrand, schilferig, traag, vaag, en pafferig. Precies dat. De oude man had een stok en een enorme zware koffer. Ik weet niet wat daar in zou kunnen zitten. Ze waren schijnbaar een wandelingetje aan het maken op een zaterdagmiddag, zonnig en rustig. De vrouw was net zo afstotelijk als de man. Ze gingen gekleed alsof het herfst was in een ijzig dorp in de fjorden. Ze zweetten en zagen er onthutst uit, terwijl ze alle kanten opkeken. Ze raadpleegden uitvoerig een reisgids en keken naar het historische schip en de historische vliegtuigen onder de historische bomen. Ze begrepen er niks van. De vent keek me aan. Zijn mond week naar binnen, alsof ze hem een flinke dreun hadden gegeven. Hij keek me strak aan. Ik maakte van de gelegenheid gebruik en haalde mijn glimmende muntstukken van drie pesos met Che’s kop te voorschijn.

   ‘Goedemiddag. Hoe gaat het? Wilt u een munt? Het is een herdenkingsmunt met de beeltenis van Che Guevara. Slechts één dollar per munt.’

   ‘No, shit, youggrrrhttchchssyyye, out! out!’

   Ik begreep het gegrom niet. Hij dreigde me met zijn stok te gaan slaan. Dat soort verbitterde types moeten hun huis helemaal niet uitkomen. Wedden dat ze een rottende lever hebben en naar bedorven aas stinken uit hun mond! ‘Kruip in je moeders stinkende kut, ouwe flikker!’

   Hij begreep mij ook niet, maar ik was in elk geval blij dat ik hem had geantwoord. Wat een hopeloze mensen!

   Gelukkig is niet alles klote. Ik wandelde verder over Trocadero, in de richting van mijn huis, en ongeveer tegenover nummer 162 zie ik een jong stel met een klein meisje. Ook aan de wandel. Zij was een ongelooflijk mooie vrouw, met een witte rok en een stevige kont, breed, goed op z’n plek. Zo’n mulattin als zij gooit het hele panorama in de war. Het is niet alleen die kont. Het is die vrouw als geheel. Warmbloedig, sensueel, met een strakke jurk die haar kaneelkleurige huid vrijlaat. Het zijn mulatinnen die in een bepaalde cadans lopen. Ze weten dat ze het allemaal onder controle hebben en ze hebben een ongelooflijke houding. Ze bewegen zich door het leven terwijl ze overal om zich heen verwarring en destructie zaaien. Naast haar loopt haar echtgenoot, een goedgeklede kleine neger. Tussen hen in het meisje, van drie jaar ongeveer. Daarom is het voor een Cubaan moeilijk ergens anders te leven. Hier heb je honger en verdrink je in de armoede. Maar de mensen, da’s een ander verhaal. Zoals die mulattin. Ze moet iets van drieëntwintig zijn, maar als ze veertig of vijftig is, zal ze nog net zo mooi zijn. En je weet dat ze daar is en dat je een tijd van haar zou kunnen houden en met z’n tweeën gelukkig zou zijn. Zolang het duurt.

   Voor ik naar huis ging, ging ik langs Manrique en Laguna. Er was rum. En ik ging in de rij staan om mijn maandelijkse fles te kopen. Ik had mijn bonnenboekje in mijn zak, hoewel dat nu, in 1995, een lachtertje was. De rij kwam maar traag vooruit en ik had tijd. Ik ging naar mijn gebouw. Op de eerste verdieping verkocht een van de aftakelende dames me een lege fles. Ik ging terug naar de rij en daar was Chachareo, zoals altijd aan het zingen en grappen maken. Hij was een miserabele, haveloze oude vent. Altijd kreeg hij het voor elkaar dat ze hem een beetje rum schonken in het bierblikje dat hij onveranderlijk bij zich had. Hij zong, vertelde verhalen. De mensen in de rij negeerden hem, maar hij ging door met zijn dronken brutaliteit. Hij zocht iemands ogen, hing de grapjas uit en als iemand dan zijn fles kocht, dan vroeg hij een beetje. Zo ging het altijd. Ieder half uur een centimetertje rum was voldoende voor hem om voortdurend stomdronken te zijn.

   Maar dan kijkt hij naar een jonge vent, half mulat, maar overwegend Aziatisch, en als hij gaat lolbroeken terwijl hij iets zingt over het bier en de rum, barst de jongen uit en schreeuwt naar hem: ‘Kalm aan met mij. En kom niet dichterbij want ik schiet twee kogels in je lijf, gore dronkenlap. Met mij haal je geen geintjes uit!’ Hij tilt zijn hemd omhoog en laat zijn pistool zien.

   Chachareo voelt zich gekrenkt. ‘Jij bent geen vent genoeg om een pistool te trekken!’

   Een kerel achter me zegt: ‘Dat ventje is politieman. En een lefgozerig klootzakje. Let maar op, dit gaat niet goed.’

   De politieman klemt zijn kaken op elkaar en kijkt de andere kant op, met een gezicht van kijk-mij-nou-eens-een-harde-kerel-zijn.

   Chachareo gaat door: ‘Vandaag sterf jij! Denk jij dat je een man op die manier aan het schrikken maakt? Jij sterft vandaag als je dat pistool pakt! Ik ben een echte kerel!’

   Vanuit de rij zeggen twee vrouwen tegen hem: ‘Chachareo, ga door met zingen. Kom hier en zing nog eens wat.’

   De politieman perst zijn lippen op elkaar. Op zijn gezicht staat donder en bliksem, maar hij reikt niet naar zijn pistool.

   Chachareo gaat naar het einde van de rij. De vrouwen zeggen hem opnieuw dat hij naar ze toe moet komen.

   Ergens in de rij zet iemand een hoge stem op en gilt: ‘Politieman, o, poeplitieman!’

   De mensen lachen en de politieman wordt zo rood als een tomaat. Hij staat op het punt van ontploffen.

   Ergens achteraan zegt Chachareo iets over oosterlingen die naar Havana komen en daar de fijne meneer uithangen, en begint een guarachita te zingen waarin marihuana rijmt met Havana.

   Er wordt geen bloed vergoten. Godzijgeloofd.

   Eindelijk is het mijn beurt bij het vat. Ze vullen mijn fles, noteren het in mijn bonnenboek, ik betaal. En ik ga direct naar mijn kamer op het dak van het gebouw. Er is geen mens. De oude buurman heeft zelfmoord gepleegd. Zijn vrouw ontwikkelde een fobie voor de kamer en de eenzaamheid en woont bij een dochter. Luisa is er ook niet. Er hangt een zware parfumlucht in de kamer. Ze heeft een half flesje opgespoten. Ze houdt van die zware luchten. Alles aan haar is aanstootgevend. Ze zal wel ergens op de Malecón zijn, het is bijna avond. Misschien verdient ze goed geld. De vrijdagen en zaterdagen zijn goed, hoewel er iedere dag meer concurrentie is.

   Ik schonk mezelf een glas rum in en ging kalmpjes op het dak zitten. De Morro was goudkleurig en de zee kalm. Een enorme lege tanker verlaat de haven. Drie matrozen werken op de voorsteven. Ze verzamelen iets. De machinerie ronkt zachtjes. De boot is zo enorm en vaart zo dichtbij dat ik bijna de metalen loopplanken voel vibreren. Hij is groen met rood en verdwijnt snel in de verte. Hij lost op in de avondnevel. Er staat een eenzaam figuur, in het wit gekleed, geleund tegen de railing van het derde dek. Hij kijkt naar de prachtige stad, goudkleurig in de schemering. Ik kijk naar hoe het groen-met-rode schip wordt opgeslokt in de nevel en verdwijnt in de verte.

© Pedro Juan Gutiérrez

   Niks te doen opdraven in Dirty Havana.

Lezen overigens Sterren en lafbekken, We kwamen de kooien uit, Mijn kont in gevaar, Vrolijk, vrij en lawaaiig, Twijfels, veel twijfels.
 
   
   
Arriba