|
ROUND HET middaguur ging
ik mijn tante in Oud Havana bezoeken. Ze heeft kanker aan
de ingewanden. De artsen hebben haar al opgegeven. Ze willen
haar niet in het ziekenhuis hebben omdat ze niet zouden weten
wat ze met haar moesten. Artsen zijn goede diplomaten. Nooit
zullen ze hun onwetendheid of vergissingen laten zien. Dat
wil zeggen, hun vergissingen begraven ze. En onwetendheid
kun je altijd vermommen. Tegen mij zeiden ze: ‘Uw tante
zit in de terminale fase. U moet haar thuis houden. Ze heeft
hooguit nog twee weken te leven.’ De oude vrouw lijdt
al twee jaar, gek van de pijn, met bloedingen, ontzet van
angst voor de dood. Het is altijd een vals kreng geweest,
maar ik geloof niet dat God iemand zó moet straffen.
Niet dat God ruimte laat voor discussie.
Een buurvrouw verzorgt
haar. Ik betaal haar een paar pesos en ze probeert haar min
of meer te helpen. Het doet me al niks meer haar zo gek van
de pijn te zien, en mager als een skelet. Een mens went overal
aan.
Ik vertrok weer, langzaam
wandelend. Op zaterdag zijn er weinig bussen in Havana. Bijna
niet één. Het beste is om je niet druk te maken.
Je tante gaat dood aan kanker, er is nauwelijks eten, er zijn
geen bussen, ik heb geen werk. Het beste is om je niet druk
te maken. De krant van vandaag had op de voorpagina een interview
afgedrukt met een belangrijke en opschepperige minister. Dik
en breed glimlachend zei de vent: ‘Cuba is noch een
paradijs noch een hel.’ Ik zou hem gevraagd hebben:
‘En wat is het dan, het voorgeborchte?’ Maar nee.
De journalist glimlachte slechts tevreden en gebruikte deze
zin als vette kop op de voorpagina.
Ik was heel relaxed,
had veel sex en een kalme geest. Niet bedrukt. Zorgen zijn
er altijd. Maar ik kon ze nu een beetje van me af schuiven.
Ik schoof ze een stukje de toekomst in. Dat is een goede manier
om ze wat schimmiger te maken en er niet naar te luisteren.
Ik had een vrouw in huis. Ik had weer een paar kilo gewicht
terug. En ik leefde. Met niets om handen. Overleven heet dat,
volgens mij. Je laat de tijd verstrijken en je verwacht niets
meer. Net zo makkelijk.
Tegenover het Nationaal
Museum wandelden langzaam twee heel dikke toeristen, groot
waren ze, lelijk, wit, verbrand, schilferig, traag, vaag,
en pafferig. Precies dat. De oude man had een stok en een
enorme zware koffer. Ik weet niet wat daar in zou kunnen zitten.
Ze waren schijnbaar een wandelingetje aan het maken op een
zaterdagmiddag, zonnig en rustig. De vrouw was net zo afstotelijk
als de man. Ze gingen gekleed alsof het herfst was in een
ijzig dorp in de fjorden. Ze zweetten en zagen er onthutst
uit, terwijl ze alle kanten opkeken. Ze raadpleegden uitvoerig
een reisgids en keken naar het historische schip en de historische
vliegtuigen onder de historische bomen. Ze begrepen er niks
van. De vent keek me aan. Zijn mond week naar binnen, alsof
ze hem een flinke dreun hadden gegeven. Hij keek me strak
aan. Ik maakte van de gelegenheid gebruik en haalde mijn glimmende
muntstukken van drie pesos met Che’s kop te voorschijn.
‘Goedemiddag. Hoe
gaat het? Wilt u een munt? Het is een herdenkingsmunt met
de beeltenis van Che Guevara. Slechts één dollar
per munt.’
‘No, shit, youggrrrhttchchssyyye,
out! out!’
Ik begreep het gegrom
niet. Hij dreigde me met zijn stok te gaan slaan. Dat soort
verbitterde types moeten hun huis helemaal niet uitkomen.
Wedden dat ze een rottende lever hebben en naar bedorven aas
stinken uit hun mond! ‘Kruip in je moeders stinkende
kut, ouwe flikker!’
Hij begreep mij ook niet,
maar ik was in elk geval blij dat ik hem had geantwoord. Wat
een hopeloze mensen!
Gelukkig is niet alles
klote. Ik wandelde verder over Trocadero, in de richting van
mijn huis, en ongeveer tegenover nummer 162 zie ik een jong
stel met een klein meisje. Ook aan de wandel. Zij was een
ongelooflijk mooie vrouw, met een witte rok en een stevige
kont, breed, goed op z’n plek. Zo’n mulattin als
zij gooit het hele panorama in de war. Het is niet alleen
die kont. Het is die vrouw als geheel. Warmbloedig, sensueel,
met een strakke jurk die haar kaneelkleurige huid vrijlaat.
Het zijn mulatinnen die in een bepaalde cadans lopen. Ze weten
dat ze het allemaal onder controle hebben en ze hebben een
ongelooflijke houding. Ze bewegen zich door het leven terwijl
ze overal om zich heen verwarring en destructie zaaien. Naast
haar loopt haar echtgenoot, een goedgeklede kleine neger.
Tussen hen in het meisje, van drie jaar ongeveer. Daarom is
het voor een Cubaan moeilijk ergens anders te leven. Hier
heb je honger en verdrink je in de armoede. Maar de mensen,
da’s een ander verhaal. Zoals die mulattin. Ze moet
iets van drieëntwintig zijn, maar als ze veertig of vijftig
is, zal ze nog net zo mooi zijn. En je weet dat ze daar is
en dat je een tijd van haar zou kunnen houden en met z’n
tweeën gelukkig zou zijn. Zolang het duurt.
Voor ik naar huis ging,
ging ik langs Manrique en Laguna. Er was rum. En ik ging in
de rij staan om mijn maandelijkse fles te kopen. Ik had mijn
bonnenboekje in mijn zak, hoewel dat nu, in 1995, een lachtertje
was. De rij kwam maar traag vooruit en ik had tijd. Ik ging
naar mijn gebouw. Op de eerste verdieping verkocht een van
de aftakelende dames me een lege fles. Ik ging terug naar
de rij en daar was Chachareo, zoals altijd aan het zingen
en grappen maken. Hij was een miserabele, haveloze oude vent.
Altijd kreeg hij het voor elkaar dat ze hem een beetje rum
schonken in het bierblikje dat hij onveranderlijk bij zich
had. Hij zong, vertelde verhalen. De mensen in de rij negeerden
hem, maar hij ging door met zijn dronken brutaliteit. Hij
zocht iemands ogen, hing de grapjas uit en als iemand dan
zijn fles kocht, dan vroeg hij een beetje. Zo ging het altijd.
Ieder half uur een centimetertje rum was voldoende voor hem
om voortdurend stomdronken te zijn.
Maar dan kijkt hij naar
een jonge vent, half mulat, maar overwegend Aziatisch, en
als hij gaat lolbroeken terwijl hij iets zingt over het bier
en de rum, barst de jongen uit en schreeuwt naar hem: ‘Kalm
aan met mij. En kom niet dichterbij want ik schiet twee kogels
in je lijf, gore dronkenlap. Met mij haal je geen geintjes
uit!’ Hij tilt zijn hemd omhoog en laat zijn pistool
zien.
Chachareo voelt zich
gekrenkt. ‘Jij bent geen vent genoeg om een pistool
te trekken!’
Een kerel achter me zegt:
‘Dat ventje is politieman. En een lefgozerig klootzakje.
Let maar op, dit gaat niet goed.’
De politieman klemt zijn
kaken op elkaar en kijkt de andere kant op, met een gezicht
van kijk-mij-nou-eens-een-harde-kerel-zijn.
Chachareo gaat door:
‘Vandaag sterf jij! Denk jij dat je een man op die manier
aan het schrikken maakt? Jij sterft vandaag als je dat pistool
pakt! Ik ben een echte kerel!’
Vanuit de rij zeggen
twee vrouwen tegen hem: ‘Chachareo, ga door met zingen.
Kom hier en zing nog eens wat.’
De politieman perst zijn
lippen op elkaar. Op zijn gezicht staat donder en bliksem,
maar hij reikt niet naar zijn pistool.
Chachareo gaat naar het
einde van de rij. De vrouwen zeggen hem opnieuw dat hij naar
ze toe moet komen.
Ergens in de rij zet
iemand een hoge stem op en gilt: ‘Politieman, o, poeplitieman!’
De mensen lachen en de
politieman wordt zo rood als een tomaat. Hij staat op het
punt van ontploffen.
Ergens achteraan zegt
Chachareo iets over oosterlingen die naar Havana komen en
daar de fijne meneer uithangen, en begint een guarachita
te zingen waarin marihuana rijmt met Havana.
Er wordt geen bloed vergoten.
Godzijgeloofd.
Eindelijk is het mijn
beurt bij het vat. Ze vullen mijn fles, noteren het in mijn
bonnenboek, ik betaal. En ik ga direct naar mijn kamer op
het dak van het gebouw. Er is geen mens. De oude buurman heeft
zelfmoord gepleegd. Zijn vrouw ontwikkelde een fobie voor
de kamer en de eenzaamheid en woont bij een dochter. Luisa
is er ook niet. Er hangt een zware parfumlucht in de kamer.
Ze heeft een half flesje opgespoten. Ze houdt van die zware
luchten. Alles aan haar is aanstootgevend. Ze zal wel ergens
op de Malecón zijn, het is bijna avond. Misschien verdient
ze goed geld. De vrijdagen en zaterdagen zijn goed, hoewel
er iedere dag meer concurrentie is.
Ik schonk mezelf een
glas rum in en ging kalmpjes op het dak zitten. De Morro was
goudkleurig en de zee kalm. Een enorme lege tanker verlaat
de haven. Drie matrozen werken op de voorsteven. Ze verzamelen
iets. De machinerie ronkt zachtjes. De boot is zo enorm en
vaart zo dichtbij dat ik bijna de metalen loopplanken voel
vibreren. Hij is groen met rood en verdwijnt snel in de verte.
Hij lost op in de avondnevel. Er staat een eenzaam figuur,
in het wit gekleed, geleund tegen de railing van het derde
dek. Hij kijkt naar de prachtige stad, goudkleurig in de schemering.
Ik kijk naar hoe het groen-met-rode schip wordt opgeslokt
in de nevel en verdwijnt in de verte.
©Pedro Juan Gutiérrez
Niks
te doen opdraven in Dirty
Havana.
|