| |
Ik hou ervan te masturberen
terwijl ik aan mijn oksels ruik. De geur van zweet windt me
op. Geurige safe sex. Vooral als ik ’s avonds geil ben
en Luisa ergens rondhangt om wat pesos te verdienen. Hoewel
het allemaal niet meer is zoals het was. Met vijfenveertig
jaar is mijn libido wel minder geworden. Ik heb minder zaad.
Nauwelijks een straaltje per dag. Ik begin de kritieke leeftijd
te krijgen: minder verlangen, minder zaad, tragere klieren.
Hoe het ook zij, de vrouwen fladderen nog steeds om me heen.
Ik geloof dat ik nu meer spirit heb. Haha, ik en meer spirit.
Ik zal niet zeggen dat ik nu dichter bij God sta. Dat is een
prachtige zin, lekker pedant: ‘O, ik sta veel dichter
bij God.’ Nee. Helemaal niet. God geeft me af en toe
signalen. En ik blijf het proberen. Dat is alles.
Ik ga. Masturberen is
hetzelfde als in je eentje dansen: eerst ben je vrolijk, maar
daarna krijg je door dat je een idioot bent. Wat doe ik hier
naakt voor de spiegel, terwijl ik mezelf aftrek? Ik kleed
me aan en ik ga. Ik trek vuile kleren aan, doorzweet. Vandaag
ben ik echt walgelijk. Ik loop de trappen af en tref de sukkels
aan, huilend, op de vijfde verdieping. Ze zijn jong, maar
imbeciel, mongool, of gek, zwaksociaal, ik weet niet, zoiets,
abnormalen, marginalen. Al jaren zijn ze samen. Ze stinken
naar vuiligheid. Ze kakken stiekem op de trap. Ze piesen in
alle hoeken. Soms lopen ze naakt door het huis en staan dan
in de deuropening. Ze maken herrie, ze kwijlen. Nu zit zij
op een traptrede, luidkeels snikkend. Ze verdrinkt in d’r
eigen tranen en zegt tegen hem: ‘Ik hou heel veel van
je, maar zo kan ik het niet. Ik hou heel veel van je, maar
zo gaat het niet. Ik hou veel van je. Ayyy, tito! Ayyy! Ik
hou heel veel van je, maar zo kan ik het niet.’ Hij
steekt een sigaret aan, gaat opzij om me door te laten en
zegt tegen haar: ‘Ik weet dat je van me houdt, chinita,
ik weet dat je van me houdt, chinita.’ En die
begint ook te snikken.
Vandaag hebben ze tenminste
niet op de trap gepoept. Wat ze nodig hebben is een harde
borstel, zeep en een koude douche. Ik stap het middaglicht
in en hou stil: wat ga ik doen? Ga ik naar de sportschool
om een beetje te boksen, of naar Paseo en 23? De laatste keer
won ik twintig dollar met de Russische roulette. Het is een
goed tijdstip. Er is daar vast en zeker wel iemand. Ik ga
naar de Russische roulette.
Ik hou van langzaam lopen,
maar ik kan het niet. Altijd loop ik haastig. Het is absurd.
Als ik toch de koers kwijt ben, vanwaar dan de haast? Dat
zal het hoogstwaarschijnlijk wel zijn: ik ben zo bang dat
ik ren zonder ophouden. Ik ben bang een moment te stoppen
en te ontdekken dat ik niet weet waar ik jezusnogantoe ben.
Ik ga Las Vegas binnen.
Las Vegas is onsterfelijk. Altijd zal het daar staan, het
is de plek waar zij boleros zong, met de piano in de duisternis
en de flessen rum en het ijs. Alles zoals het altijd is geweest.
Het is goed te weten dat sommige dingen niet veranderen. Ik
gooide twee rum naar binnen. Het was er erg stil en koud en
donker. Zo veel hitte en vochtigheid en licht daarbuiten,
zo veel lawaai. En plotseling verandert alles als je dit cabaret
binnengaat. Eigenlijk is het een graf waar de tijd voor altijd
is gestopt. Ik ging even zitten en onmiddellijk komt het brein
in actie om na te denken.
Geest en materie. Dat
is al. Ik neem een glas rum en daar staan ze al, pijnlijk
recht tegenover elkaar. De geest aan één kant
en de materie aan de andere kant. En ik in het midden, verscheurd,
in stukken gesneden. Ik probeerde er iets van te snappen,
maar dat was moeilijk. Bijna onmogelijk er iets van te begrijpen.
En de angst. Sinds ik kind ben, is daar altijd de angst. Nu
droeg ik mezelf op om die te overwinnen. Ik ging naar een
boksschool, om harder te worden. Ik bokste met wie dan ook
en altijd bevend vanbinnen. Ik probeerde hard te slaan. Ik
probeerde onverschrokken te zijn, maar onmogelijk. De angst
was er en ging zijn eigen gang. En ik zei voortdurend tegen
mezelf: ‘Maak je geen zorgen, we zijn allemaal bang.
Angst komt eerder aan de oppervlakte dan wat ook. Je moet
’m alleen vergeten. Vergeet de angst. Doe alsof hij
niet bestaat, en leef.’
Ik goot nog twee rum
naar binnen. Heerlijk. Ik begon me heerlijk te voelen bedoel
ik. De rum was niet zo heerlijk, die smaakte naar diesel.
En ik ging naar de Russische roulette. Ik had nog zeven dollar
over en tweeëntwintig pesos. Niet slecht. Het is wel
eens erger geweest en altijd raak ik weer vlot.
Er waren mensen op Paseo
en 23. En ja hoor, Formule Een was er, met zijn fiets. Het
was een goed moment. Bijna vijf uur ’s middags. Er is
altijd veel verkeer op dat kruispunt, alle richtingen uit.
We sloten de weddenschappen af. Ik speelde met mijn zeven
dollar vijf tegen één. Als ik won had ik er
vijfendertig. Ik wed altijd dat dat jong de overkant haalt.
Een zwarte man met een hoop geld en gouden kettingen tot op
zijn enkels komt langs. De klootzak wedt altijd dat ie het
niet haalt: ‘Ik wed op bloed, man. Altijd op bloed,
meer hoef je niet te weten.’ Iedere keer dat we elkaar
daar treffen accepteert hij mijn weddenschap met één
tegen vijf. Toch heb ik er nooit een hoop geld mee gewonnen.
Een maand geleden had
ik een record: vijfendertig dollar in één keer.
Ik had geluk. Delfina was bij me. Ik haalde het geld binnen,
liet het haar zien en ze werd compleet gek. Ik zeg Delfi tegen
haar omdat ze de stomste naam van Havana heeft. We gingen
naar het strand. We huurden een kamer en vierden twee dagen
feest, met eten, rum en marihuana. Delfi is een prachtige,
uitdagende negerin, maar het ziet ernaar uit dat ik niet meer
deug voor dat soort orgiën. Delfi wilde alleen maar pik,
rum en marihuana. In die volgorde. Maar ik kon niet de hele
tijd neuken. Als ik ’m niet omhoog kreeg probeerde Delfi,
onverzadigbaar, een vinger in mijn kont te steken om nog iets
voor elkaar te krijgen. Ik gaf haar een paar klappen en zei:
‘Haal die vinger uit mijn kont, zwarte hoer.’
Hoe dan ook, we gingen door en door en door. Uit inertie misschien
wel. Toen de rum en de marihuana en de dollars op waren, kwam
ik weer bij bewustzijn. Alles brandde: mijn hoofd, mijn kont,
mijn keel, mijn snikkel, mijn zakken, mijn lever en mijn maag.
Bij Delfi niet. Ze is achtentwintig en een boom van een negerin,
gespierd en hard. Ze was er klaar voor om nog twee of drie
dagen door te gaan zonder te stoppen. Onvermoeibaar, die zwarte
vrouw. Fantastisch. Een wonder van de natuur.
De jongen die Russische
roulette ging spelen pakte zijn fiets. Hij had een rode zakdoek
om zijn hoofd geknoopt. Het was een jonge mulat, vijftien
of zestien jaar oud. Hij liet zijn fiets nooit uit het oog,
nog niet om te poepen. Het was een kleine robuuste fiets met
dikke banden, mooi verchroomd. Daar leefde hij van. Hij verdiende
twintig dollar elke keer dat hij de overkant haalde. Hij was
goed. Op andere momenten haalde hij acrobatische toeren uit
en daar verdiende hij ook mee: dan legde hij tien kinderen
naast elkaar, midden op straat, verwijderde zich een paar
meter, sloeg een kruis, schoot naar voren en vloog over de
jongens heen. Dat deed hij in elke willekeurige straat. Waar
ze er maar om vroegen. De mensen wedden, maar hij niet. Hij
verdiende zijn twintig dollar en verdween. Hij was ijdel en
zei tegen de mensen: ‘Ik ben Formule Een.’
Nu reed Formule Een Paseo
op. Hij haalde tussen de auto’s een paar capriolen uit
op zijn fiets, draaide rond, sprong de lucht in, draaide twee
keer en viel terug op één wiel. Hij was meesterlijk.
De mensen keken naar hem maar wisten niet wat dat zwarte joch
van plan was. Wij waren met zijn zevenen en deden of we er
niets mee te maken hadden, daar, op de hoek van het nonnenklooster,
onder de bomen. Er was niet één politieman.
Formule moest wachten op een bevel van één van
ons. Op het moment dat het licht groen werd voor 23, deed
een vent naast me zijn arm naar beneden en Formule schoot
als een bliksemschicht op Paseo af. Op 23, richting La Rampa,
stonden iets van dertig auto’s, op dat uur erg opgefokt,
die het groene licht wilden halen. En richting lmendares,
grommend en wanhopig, nog eens dertig of veertig. Samengevat:
Formule had zeventig kansen om platgereden te worden. En eentje
om te leven. Daar zweefden mijn zeven dollar. Als het joch
werd overreden had ik niks meer. Het was noodzaak voor me
dat Formule overstak en zijn twintig dollar verdiende. En
hij deed het! Het ventje was een bliksemschicht. Ik weet verdomme
niet hóe hij het flikte. Net een vlieg. Plotseling
glinsterde hij aan de andere kant van Paseo, toeren uithalend
en lachend.
Hij kwam naar ons toe,
hard lachend. ‘Ik ben Formule Een!’ Ik verzamelde
mijn vijfendertig dollar. Ik gaf er vijf aan Formule, en nam
’m apart. Ik drukte hem de handen. Ze waren droog en
stevig. Ik keek hem in de ogen en vroeg: ‘Vind je het
niet eng?’ Hij haalde zijn schouders op: ‘Ah,
witte man, laat me niet lachen. Ik ben Formule Een, man! Formule
Een!’
Vóór hem
zijn er op dezelfde plek vier jongens om het leven gekomen.
Ik wil het me niet herinneren. Twee anderen hadden niet de
kloten om het te doen. Zo gaan die dingen. Slechts enkelen
overleven het: de echte sterren en de echte lafbekken.
© Pedro Juan Gutiérrez
Sterren
en lafbekken opdraven in Dirty
Havana.
|