Inicio - Home
 
   
  Trilogía sucia de La Habana (cuento)  
 
Leer Sterren en lafbekken (etage)
Pedro Juan Gutiérrez

IK HOU ervan te masturberen terwijl ik aan mijn oksels ruik. De geur van zweet windt me op. Geurige safe sex. Vooral als ik ’s avonds geil ben en Luisa ergens rondhangt om wat pesos te verdienen. Hoewel het allemaal niet meer is zoals het was. Met vijfenveertig jaar is mijn libido wel minder geworden. Ik heb minder zaad. Nauwelijks een straaltje per dag. Ik begin de kritieke leeftijd te krijgen: minder verlangen, minder zaad, tragere klieren. Hoe het ook zij, de vrouwen fladderen nog steeds om me heen. Ik geloof dat ik nu meer spirit heb. Haha, ik en meer spirit. Ik zal niet zeggen dat ik nu dichter bij God sta. Dat is een prachtige zin, lekker pedant: ‘O, ik sta veel dichter bij God.’ Nee. Helemaal niet. God geeft me af en toe signalen. En ik blijf het proberen. Dat is alles.

   Ik ga. Masturberen is hetzelfde als in je eentje dansen: eerst ben je vrolijk, maar daarna krijg je door dat je een idioot bent. Wat doe ik hier naakt voor de spiegel, terwijl ik mezelf aftrek? Ik kleed me aan en ik ga. Ik trek vuile kleren aan, doorzweet. Vandaag ben ik echt walgelijk. Ik loop de trappen af en tref de sukkels aan, huilend, op de vijfde verdieping. Ze zijn jong, maar imbeciel, mongool, of gek, zwaksociaal, ik weet niet, zoiets, abnormalen, marginalen. Al jaren zijn ze samen. Ze stinken naar vuiligheid. Ze kakken stiekem op de trap. Ze piesen in alle hoeken. Soms lopen ze naakt door het huis en staan dan in de deuropening. Ze maken herrie, ze kwijlen. Nu zit zij op een traptrede, luidkeels snikkend. Ze verdrinkt in d’r eigen tranen en zegt tegen hem: ‘Ik hou heel veel van je, maar zo kan ik het niet. Ik hou heel veel van je, maar zo gaat het niet. Ik hou veel van je. Ayyy, tito! Ayyy! Ik hou heel veel van je, maar zo kan ik het niet.’ Hij steekt een sigaret aan, gaat opzij om me door te laten en zegt tegen haar: ‘Ik weet dat je van me houdt, chinita, ik weet dat je van me houdt, chinita.’ En die begint ook te snikken.

   Vandaag hebben ze tenminste niet op de trap gepoept. Wat ze nodig hebben is een harde borstel, zeep en een koude douche. Ik stap het middaglicht in en hou stil: wat ga ik doen? Ga ik naar de sportschool om een beetje te boksen, of naar Paseo en 23? De laatste keer won ik twintig dollar met de Russische roulette. Het is een goed tijdstip. Er is daar vast en zeker wel iemand. Ik ga naar de Russische roulette.

   Ik hou van langzaam lopen, maar ik kan het niet. Altijd loop ik haastig. Het is absurd. Als ik toch de koers kwijt ben, vanwaar dan de haast? Dat zal het hoogstwaarschijnlijk wel zijn: ik ben zo bang dat ik ren zonder ophouden. Ik ben bang een moment te stoppen en te ontdekken dat ik niet weet waar ik jezusnogantoe ben.

   Ik ga Las Vegas binnen. Las Vegas is onsterfelijk. Altijd zal het daar staan, het is de plek waar zij boleros zong, met de piano in de duisternis en de flessen rum en het ijs. Alles zoals het altijd is geweest. Het is goed te weten dat sommige dingen niet veranderen. Ik gooide twee rum naar binnen. Het was er erg stil en koud en donker. Zo veel hitte en vochtigheid en licht daarbuiten, zo veel lawaai. En plotseling verandert alles als je dit cabaret binnengaat. Eigenlijk is het een graf waar de tijd voor altijd is gestopt. Ik ging even zitten en onmiddellijk komt het brein in actie om na te denken.

   Geest en materie. Dat is al. Ik neem een glas rum en daar staan ze al, pijnlijk recht tegenover elkaar. De geest aan één kant en de materie aan de andere kant. En ik in het midden, verscheurd, in stukken gesneden. Ik probeerde er iets van te snappen, maar dat was moeilijk. Bijna onmogelijk er iets van te begrijpen. En de angst. Sinds ik kind ben, is daar altijd de angst. Nu droeg ik mezelf op om die te overwinnen. Ik ging naar een boksschool, om harder te worden. Ik bokste met wie dan ook en altijd bevend vanbinnen. Ik probeerde hard te slaan. Ik probeerde onverschrokken te zijn, maar onmogelijk. De angst was er en ging zijn eigen gang. En ik zei voortdurend tegen mezelf: ‘Maak je geen zorgen, we zijn allemaal bang. Angst komt eerder aan de oppervlakte dan wat ook. Je moet ’m alleen vergeten. Vergeet de angst. Doe alsof hij niet bestaat, en leef.’

   Ik goot nog twee rum naar binnen. Heerlijk. Ik begon me heerlijk te voelen bedoel ik. De rum was niet zo heerlijk, die smaakte naar diesel. En ik ging naar de Russische roulette. Ik had nog zeven dollar over en tweeëntwintig pesos. Niet slecht. Het is wel eens erger geweest en altijd raak ik weer vlot.

   Er waren mensen op Paseo en 23. En ja hoor, Formule Een was er, met zijn fiets. Het was een goed moment. Bijna vijf uur ’s middags. Er is altijd veel verkeer op dat kruispunt, alle richtingen uit. We sloten de weddenschappen af. Ik speelde met mijn zeven dollar vijf tegen één. Als ik won had ik er vijfendertig. Ik wed altijd dat dat jong de overkant haalt. Een zwarte man met een hoop geld en gouden kettingen tot op zijn enkels komt langs. De klootzak wedt altijd dat ie het niet haalt: ‘Ik wed op bloed, man. Altijd op bloed, meer hoef je niet te weten.’ Iedere keer dat we elkaar daar treffen accepteert hij mijn weddenschap met één tegen vijf. Toch heb ik er nooit een hoop geld mee gewonnen.

   Een maand geleden had ik een record: vijfendertig dollar in één keer. Ik had geluk. Delfina was bij me. Ik haalde het geld binnen, liet het haar zien en ze werd compleet gek. Ik zeg Delfi tegen haar omdat ze de stomste naam van Havana heeft. We gingen naar het strand. We huurden een kamer en vierden twee dagen feest, met eten, rum en marihuana. Delfi is een prachtige, uitdagende negerin, maar het ziet ernaar uit dat ik niet meer deug voor dat soort orgiën. Delfi wilde alleen maar pik, rum en marihuana. In die volgorde. Maar ik kon niet de hele tijd neuken. Als ik ’m niet omhoog kreeg probeerde Delfi, onverzadigbaar, een vinger in mijn kont te steken om nog iets voor elkaar te krijgen. Ik gaf haar een paar klappen en zei: ‘Haal die vinger uit mijn kont, zwarte hoer.’ Hoe dan ook, we gingen door en door en door. Uit inertie misschien wel. Toen de rum en de marihuana en de dollars op waren, kwam ik weer bij bewustzijn. Alles brandde: mijn hoofd, mijn kont, mijn keel, mijn snikkel, mijn zakken, mijn lever en mijn maag. Bij Delfi niet. Ze is achtentwintig en een boom van een negerin, gespierd en hard. Ze was er klaar voor om nog twee of drie dagen door te gaan zonder te stoppen. Onvermoeibaar, die zwarte vrouw. Fantastisch. Een wonder van de natuur.

   De jongen die Russische roulette ging spelen pakte zijn fiets. Hij had een rode zakdoek om zijn hoofd geknoopt. Het was een jonge mulat, vijftien of zestien jaar oud. Hij liet zijn fiets nooit uit het oog, nog niet om te poepen. Het was een kleine robuuste fiets met dikke banden, mooi verchroomd. Daar leefde hij van. Hij verdiende twintig dollar elke keer dat hij de overkant haalde. Hij was goed. Op andere momenten haalde hij acrobatische toeren uit en daar verdiende hij ook mee: dan legde hij tien kinderen naast elkaar, midden op straat, verwijderde zich een paar meter, sloeg een kruis, schoot naar voren en vloog over de jongens heen. Dat deed hij in elke willekeurige straat. Waar ze er maar om vroegen. De mensen wedden, maar hij niet. Hij verdiende zijn twintig dollar en verdween. Hij was ijdel en zei tegen de mensen: ‘Ik ben Formule Een.’

   Nu reed Formule Een Paseo op. Hij haalde tussen de auto’s een paar capriolen uit op zijn fiets, draaide rond, sprong de lucht in, draaide twee keer en viel terug op één wiel. Hij was meesterlijk. De mensen keken naar hem maar wisten niet wat dat zwarte joch van plan was. Wij waren met zijn zevenen en deden of we er niets mee te maken hadden, daar, op de hoek van het nonnenklooster, onder de bomen. Er was niet één politieman. Formule moest wachten op een bevel van één van ons. Op het moment dat het licht groen werd voor 23, deed een vent naast me zijn arm naar beneden en Formule schoot als een bliksemschicht op Paseo af. Op 23, richting La Rampa, stonden iets van dertig auto’s, op dat uur erg opgefokt, die het groene licht wilden halen. En richting lmendares, grommend en wanhopig, nog eens dertig of veertig. Samengevat: Formule had zeventig kansen om platgereden te worden. En eentje om te leven. Daar zweefden mijn zeven dollar. Als het joch werd overreden had ik niks meer. Het was noodzaak voor me dat Formule overstak en zijn twintig dollar verdiende. En hij deed het! Het ventje was een bliksemschicht. Ik weet verdomme niet hóe hij het flikte. Net een vlieg. Plotseling glinsterde hij aan de andere kant van Paseo, toeren uithalend en lachend.

   Hij kwam naar ons toe, hard lachend. ‘Ik ben Formule Een!’ Ik verzamelde mijn vijfendertig dollar. Ik gaf er vijf aan Formule, en nam ’m apart. Ik drukte hem de handen. Ze waren droog en stevig. Ik keek hem in de ogen en vroeg: ‘Vind je het niet eng?’ Hij haalde zijn schouders op: ‘Ah, witte man, laat me niet lachen. Ik ben Formule Een, man! Formule Een!’

   Vóór hem zijn er op dezelfde plek vier jongens om het leven gekomen. Ik wil het me niet herinneren. Twee anderen hadden niet de kloten om het te doen. Zo gaan die dingen. Slechts enkelen overleven het: de echte sterren en de echte lafbekken.

©Pedro Juan Gutiérrez

 

Sterren en lafbekken opdraven in Dirty Havana.

Leer Lezen overigens Niks te doen, We kwamen de kooien uit, Mijn kont in gevaar, Vrolijk, vrij en lawaaiig, Twijfels, veel twijfels.
 
   
   
Subir - Go to top