|
De armoede was verschrikkelijk
aan het huishouden. Iedere dag meer en iedereen probeerde
op een of andere manier weg te komen, ergens anders heen te
gaan. Als beesten op hol. Carlitos, geboren en opgegroeid
in de chaos, belde iedere dag met zijn moeder en broer. En
huilde. Ontzettend miserabel voelde hij zich in Miami en kon
niet slapen. Hij genoot niet van zijn American dream.
Hij spendeerde een fortuin aan telefoneren en concentreerde
zijn aandacht en energie op iets concreets. Kon hij niet.
Hij droeg de wanhoop van de chaos met zich mee. Zijn hart
klopte nog steeds achter zware ijzeren staven.
In die dagen had ik af
en toe sex met zijn zuster. Ze was arts, las Becquer, was
dol op Mexicaanse soapseries en op de gedichten met spirituele
adviezen van Benedetti, die ze voor me kopieerde op receptpapier
en waar ze me mee doodgooide opdat ik iets van poëzie
zou opsteken. Ze was overtuigd van mijn slechte smaak sinds
ze in een hoek van mijn huis Gedichten om de kaalheid
te bestrijden van Nicanor Parra had ontdekt.
Ze gebruikte zinnen als
‘de liefde bedrijven’, ‘we kunnen gelukkig
zijn’, ‘ik vertel nooit leugens’, en dat
soort dingen. Ze was een warrig type. Dat zie je vaak gebeuren.
Te veel mensen om je heen verwarren je. En dan begint het
getrek tussen wat je moet en wat je kunt en wat je wilt. En
tussen wat je niet moet doen, niet kunt en niet wilt.
Ze was altijd duizelig
omdat ze zich volpropte met kalmeringsmiddelen. Ze had drie
zelfmoordpogingen op haar naam staan en had die neiging nog
steeds, latent en onderdrukt. Ze besteedde veel tijd aan een
psycholoog die probeerde haar met alles te verzoenen, ondanks
alles.
Enfin, ze was niet betrouwbaar,
en mijn sex en haar liefde duurden maar kort. ‘Een afgrond
van onbegrip scheidde de fraaie jonge vrouw en de gedistingeerde
oudere man,’ zou Torín Cellado geschreven kunnen
hebben.
Trouwens, ik heb het
bijgehouden en in de laatste vijf jaar heb ik sexuele relaties
gehad met tweeëntwintig vrouwen. Dat average
is niet ideaal voor een man van vijfenveertig jaar. Ik heb
nergens spijt van, maar ik was bezorgd. Niet om mijn innerlijk,
maar vanwege aids. Ik zou het klote vinden vóór
mijn tijd al ter dood veroordeeld te zijn omdat ik ’m
in het verkeerde gat heb gestoken.
Promiscue of niet, ik
moest door. Met afharden, uiteraard. De mensen vonden dat
ik volwassener werd. Maar dat was het niet. Ik probeerde slechts
harder en harder te worden en niet toe te staan dat ze me
manipuleerden. Het was ieder voor zich. Ik moest het beetje
liefde dat ik overhad goed doseren om te voorkomen dat de
tank op nul kwam en de motor ermee ophield, al verloor ik
niet de hoop ergens weer op te kunnen laden. Utopische gek.
Naar de bliksem maar dromend nog eens iets moois te vinden
in mijzelf dat de tank weer tot de nok bijvult om het allemaal
nog eens te herhalen en andermaal een genereuze, goede minnaar
te zijn. Hoe stom kun je zijn? vroeg ik mezelf van
tijd tot tijd af. Op andere momenten, als ik relaxter was,
zei ik: Ja, het is mogelijk.
Dus zo ging het met me.
Erg bezorgd over mijn groeiende ouderdom en de spreekwoordelijke
eenzaamheid van de ouderen en dat soort zaken. Maar successievelijk
verschenen er vrouwen die tegen me zeiden: ‘Wow, je
bent zo volwassen, wat fijn! Wat zou ik het fantastisch vinden
met je te wonen, en dan zouden we dit doen en dat doen...’
En ik dacht: Ja, ja, ik en volwassen. Als ze de waarheid
wisten, zouden ze gillend weglopen en nooit meer zelfs maar
in de buurt komen.
Dus ik ging alleen door.
Met mijn vijfenveertig jaar. En iedere dag was beetje beter
voor me, en gemakkelijker. De eerste brandwonden zijn de ergste,
daarna ontwikkel je eelt, zoals mijn vriend Hank zegt. Vanaf
veertig is het allemaal eenvoudiger. Of je ziet het tenminste
wat duidelijker.
Een paar conclusies had
ik al getrokken, haha. ‘Een paar conclusies.’
Wat verschrikkelijk! Zal er iemand op deze wereld zijn die
dat kan? Wat ik wil zeggen is dat ik al íets begreep
van wat zo oud is als de mensheid, maar dat je telkens opnieuw
moet leren: de ethiek van de arme drommel is te houden van
hem die geld heeft en af en toe een kruimel laat vallen. De
ethiek van de slaaf is te houden van zijn eigenaar en hem
te bewonderen. Zo eenvoudig is het. De arme, of de slaaf,
maakt niet uit, hij kan zijn moraal niet te ingewikkeld maken
en niet erg veeleisend zijn over zijn waardigheid, op straffe
van de hongerdood. ‘Als hij me een beetje geeft, is
het al goed en houd ik van hem.’ Vrouwen snappen dat
in het algemeen vanaf dat ze klein zijn en accepteren het.
Maar wij mannen maken het ons een beetje moeilijker door te
willen rebelleren, principes aan te voeren en al die dingen.
Uiteindelijk hebben we het ook wel door, maar dan wat later.
Dat goed-ontwikkelde
instinct voor zelfbehoud is een van de gezichten van de armoede.
Maar de armoede heeft vele gezichten. Misschien is haar meest
zichtbare gezicht wel dat ze je berooft van alle nobelheid.
Of op z’n minst van spirituele generositeit. Ze verandert
je in een gemeen, miserabel, berekenend soort mens. De enige
noodzaak is te overleven. En naar de hel met generositeit,
solidariteit, vriendelijkheid en pacifisme.
Te midden van al deze
twijfels arriveerde Alejandro, een oude vriend. Half dronken
en vrolijk. Die dag hadden ze hem laten weten dat hij in een
loterij een verblijfsvisum voor de Verenigde Staten had gewonnen.
Hij was euforisch. Al zijn vriendinnen wilden met hem trouwen.
Ze boden hem geld opdat hij met ze trouwde en ze meenam. Maar
daar had hij geen trek in. Hij wilde alleen zijn moeder meenemen:
‘De enige last die ik wil meedragen is mijn moeder.
Als die eikels van de ambassade me tenminste een visum voor
haar geven. Ik kan de oude dame niet alleen achterlaten.’
Ik haalde een fles rum.
En we dronken. We dronken veel die nacht en Alejandro maakte
plannen over wat hij wel en niet zou doen in Miami. We praatten
zo veel dat ik me niks meer herinner. En ik zei hem: ‘Voor
de volgende trekking ga ik mijn brief sturen. Misschien heb
ik geluk.’
Vandaag heb ik een kater.
De rum was walgelijk slecht en ik heb hoofdpijn. Maar zelfs
zo probeer ik mijn innerlijk leven op orde te brengen. Met
de buitenkant heb ik geen problemen. Iedereen gelooft dat
er maar één Pedro Juan is, heel solide, heel
efficiënt en heel vrolijk. Ze realiseren zich niet dat
aan de binnenkant alle Pedrito’s slaande herrie hebben
en elkaar pootje haken. Ze proberen allemaal tegelijkertijd
hun hoofd naar buiten te steken.
© Pedro Juan Gutiérrez
Twijfels,
veel twijfels opdraven in Dirty
Havana.
|