Inicio
 
   
  Trilogía sucia de La Habana (story)  
 
Twijfels, veel twijfels (etage)
Pedro Juan Gutiérrez

   De armoede was verschrikkelijk aan het huishouden. Iedere dag meer en iedereen probeerde op een of andere manier weg te komen, ergens anders heen te gaan. Als beesten op hol. Carlitos, geboren en opgegroeid in de chaos, belde iedere dag met zijn moeder en broer. En huilde. Ontzettend miserabel voelde hij zich in Miami en kon niet slapen. Hij genoot niet van zijn American dream. Hij spendeerde een fortuin aan telefoneren en concentreerde zijn aandacht en energie op iets concreets. Kon hij niet. Hij droeg de wanhoop van de chaos met zich mee. Zijn hart klopte nog steeds achter zware ijzeren staven.

   In die dagen had ik af en toe sex met zijn zuster. Ze was arts, las Becquer, was dol op Mexicaanse soapseries en op de gedichten met spirituele adviezen van Benedetti, die ze voor me kopieerde op receptpapier en waar ze me mee doodgooide opdat ik iets van poëzie zou opsteken. Ze was overtuigd van mijn slechte smaak sinds ze in een hoek van mijn huis Gedichten om de kaalheid te bestrijden van Nicanor Parra had ontdekt.

   Ze gebruikte zinnen als ‘de liefde bedrijven’, ‘we kunnen gelukkig zijn’, ‘ik vertel nooit leugens’, en dat soort dingen. Ze was een warrig type. Dat zie je vaak gebeuren. Te veel mensen om je heen verwarren je. En dan begint het getrek tussen wat je moet en wat je kunt en wat je wilt. En tussen wat je niet moet doen, niet kunt en niet wilt.

   Ze was altijd duizelig omdat ze zich volpropte met kalmeringsmiddelen. Ze had drie zelfmoordpogingen op haar naam staan en had die neiging nog steeds, latent en onderdrukt. Ze besteedde veel tijd aan een psycholoog die probeerde haar met alles te verzoenen, ondanks alles.

   Enfin, ze was niet betrouwbaar, en mijn sex en haar liefde duurden maar kort. ‘Een afgrond van onbegrip scheidde de fraaie jonge vrouw en de gedistingeerde oudere man,’ zou Torín Cellado geschreven kunnen hebben.

   Trouwens, ik heb het bijgehouden en in de laatste vijf jaar heb ik sexuele relaties gehad met tweeëntwintig vrouwen. Dat average is niet ideaal voor een man van vijfenveertig jaar. Ik heb nergens spijt van, maar ik was bezorgd. Niet om mijn innerlijk, maar vanwege aids. Ik zou het klote vinden vóór mijn tijd al ter dood veroordeeld te zijn omdat ik ’m in het verkeerde gat heb gestoken.

   Promiscue of niet, ik moest door. Met afharden, uiteraard. De mensen vonden dat ik volwassener werd. Maar dat was het niet. Ik probeerde slechts harder en harder te worden en niet toe te staan dat ze me manipuleerden. Het was ieder voor zich. Ik moest het beetje liefde dat ik overhad goed doseren om te voorkomen dat de tank op nul kwam en de motor ermee ophield, al verloor ik niet de hoop ergens weer op te kunnen laden. Utopische gek. Naar de bliksem maar dromend nog eens iets moois te vinden in mijzelf dat de tank weer tot de nok bijvult om het allemaal nog eens te herhalen en andermaal een genereuze, goede minnaar te zijn. Hoe stom kun je zijn? vroeg ik mezelf van tijd tot tijd af. Op andere momenten, als ik relaxter was, zei ik: Ja, het is mogelijk.

   Dus zo ging het met me. Erg bezorgd over mijn groeiende ouderdom en de spreekwoordelijke eenzaamheid van de ouderen en dat soort zaken. Maar successievelijk verschenen er vrouwen die tegen me zeiden: ‘Wow, je bent zo volwassen, wat fijn! Wat zou ik het fantastisch vinden met je te wonen, en dan zouden we dit doen en dat doen...’ En ik dacht: Ja, ja, ik en volwassen. Als ze de waarheid wisten, zouden ze gillend weglopen en nooit meer zelfs maar in de buurt komen.

   Dus ik ging alleen door. Met mijn vijfenveertig jaar. En iedere dag was beetje beter voor me, en gemakkelijker. De eerste brandwonden zijn de ergste, daarna ontwikkel je eelt, zoals mijn vriend Hank zegt. Vanaf veertig is het allemaal eenvoudiger. Of je ziet het tenminste wat duidelijker.

   Een paar conclusies had ik al getrokken, haha. ‘Een paar conclusies.’ Wat verschrikkelijk! Zal er iemand op deze wereld zijn die dat kan? Wat ik wil zeggen is dat ik al íets begreep van wat zo oud is als de mensheid, maar dat je telkens opnieuw moet leren: de ethiek van de arme drommel is te houden van hem die geld heeft en af en toe een kruimel laat vallen. De ethiek van de slaaf is te houden van zijn eigenaar en hem te bewonderen. Zo eenvoudig is het. De arme, of de slaaf, maakt niet uit, hij kan zijn moraal niet te ingewikkeld maken en niet erg veeleisend zijn over zijn waardigheid, op straffe van de hongerdood. ‘Als hij me een beetje geeft, is het al goed en houd ik van hem.’ Vrouwen snappen dat in het algemeen vanaf dat ze klein zijn en accepteren het. Maar wij mannen maken het ons een beetje moeilijker door te willen rebelleren, principes aan te voeren en al die dingen. Uiteindelijk hebben we het ook wel door, maar dan wat later.

   Dat goed-ontwikkelde instinct voor zelfbehoud is een van de gezichten van de armoede. Maar de armoede heeft vele gezichten. Misschien is haar meest zichtbare gezicht wel dat ze je berooft van alle nobelheid. Of op z’n minst van spirituele generositeit. Ze verandert je in een gemeen, miserabel, berekenend soort mens. De enige noodzaak is te overleven. En naar de hel met generositeit, solidariteit, vriendelijkheid en pacifisme.

   Te midden van al deze twijfels arriveerde Alejandro, een oude vriend. Half dronken en vrolijk. Die dag hadden ze hem laten weten dat hij in een loterij een verblijfsvisum voor de Verenigde Staten had gewonnen. Hij was euforisch. Al zijn vriendinnen wilden met hem trouwen. Ze boden hem geld opdat hij met ze trouwde en ze meenam. Maar daar had hij geen trek in. Hij wilde alleen zijn moeder meenemen: ‘De enige last die ik wil meedragen is mijn moeder. Als die eikels van de ambassade me tenminste een visum voor haar geven. Ik kan de oude dame niet alleen achterlaten.’

   Ik haalde een fles rum. En we dronken. We dronken veel die nacht en Alejandro maakte plannen over wat hij wel en niet zou doen in Miami. We praatten zo veel dat ik me niks meer herinner. En ik zei hem: ‘Voor de volgende trekking ga ik mijn brief sturen. Misschien heb ik geluk.’

   Vandaag heb ik een kater. De rum was walgelijk slecht en ik heb hoofdpijn. Maar zelfs zo probeer ik mijn innerlijk leven op orde te brengen. Met de buitenkant heb ik geen problemen. Iedereen gelooft dat er maar één Pedro Juan is, heel solide, heel efficiënt en heel vrolijk. Ze realiseren zich niet dat aan de binnenkant alle Pedrito’s slaande herrie hebben en elkaar pootje haken. Ze proberen allemaal tegelijkertijd hun hoofd naar buiten te steken.

© Pedro Juan Gutiérrez

   Twijfels, veel twijfels opdraven in Dirty Havana.

Lezen overigens Niks te doen, Sterren en lafbekken, We kwamen de kooien uit, Mijn kont in gevaar, Vrolijk, vrij en lawaaiig.
 
   
   
Arriba