Inicio
 
   
  Trilogía sucia de La Habana (story)  
 
Vrolijk, vrij en lawaaiig (etage)
Pedro Juan Gutiérrez

   Soms is dat wat je nodig hebt maar weinig: sex, rum en een vrouw die gezellig wat tegen je aan kletst. Niks intelligents. Ik ben intelligente en gehaaide mensen volledig zat. Daarna gaat zij weg en je blijft alleen en rustig achter. Je drinkt nog wat rum. Of je neemt een douche en je gaat naar bed om te slapen. En de volgende dag sta je fris en uitgerust op. Klaar om te glimlachen en te antwoorden dat het erg goed met je gaat en nee, alles uitstekend. En de mensen zeggen tegen je: ‘O, wat fijn. Eindelijk vind ik iemand met wie het uitstekend gaat.’

   Maar het gaat niet altijd zo. Niet alles gaat zo gemakkelijk en grijpt zo goed in elkaar. Soms loop ik verwarrende vrouwen tegen het lijf. Zoals Carmen. Zij is het soort persoon dat het leven op heel eenvoudige wijze samenvat: je hebt geld of je hebt geen geld. De rest doet er niet toe. Iedere dag vind ik meer van zulke vrouwen. Misschien zijn ze er altijd wel geweest, maar heb ik ze nu pas in de gaten. Hoe het ook zij, ik wil niet over Carmen praten. Te veel cynisme. Pragmatisch cynisme, bedoel ik. Of misschien niet eens. Een pragmatische cynicus is iemand die alles veel meer uitdenkt. Nee. Alleen maar te veel spirituele armoe. Alle spirituele armoe die nodig is om misbruik te maken van een zielige gorilla van een kerel die haar geld geeft. Ze verafschuwt hem, maar speelt theater en verdient er goed mee. Niet de moeite waard om me haar te herinneren.

   Daarna kwam María. Compleet het tegenovergestelde. Gloeiend. Een stormachtige dichteres uit Guanabacoa. Ze schreef me gedichten en bedekte me ermee, geschreven op groene vellen, met haar grote, ronde letters:

      Ik lijd, gehuld in het vraatzuchtige
      cataclysme van het onmogelijke.

      Jouw adem, een vulkaan in mijn lichaam.
      Mijn spiegels janken.

   Zo veel vuur kon ik niet verdragen. Ik kon haar niet te stillen gulzigheid van waanzinnige mulattin niet uithouden. Ik brandde mijn huid en mijn hart in korte tijd, herrees uit de as, en ging alleen door.

   Dus daar zit ik dan. Met niets te doen. Kalmpjes op mijn dak. Rum te drinken in de schemer. Ik wilde geen intieme relaties meer met niemand. Ze hadden me pijn gedaan tot het punt dat ik geen herhalingen kon velen. En ik besloot alleen verder te leven. Mijn normale leven, maar dan alleen. Logisch: eens in de zoveel tijd word ik door iemand getriggerd. Het lukt iemand om te sprankelen. Ik vind het goed zo. Niks geen beloftes van eeuwige trouw.

   Maar een man leeft niet slechts van liefde en eenzaamheid. Iets moet hij doen om geld te verdienen, te eten, en een paar biertjes te drinken ’s middags. Ik was mijn baan met het sojagehakt in het slachthuis kwijtgeraakt, en er verscheen niks. De crisis was op haar hoogtepunt in 1995. Alles was in crisis: ideeën, bankrekeningen, het heden. Om over de toekomst maar te zwijgen.

   Op een middag ben ik bier aan het drinken. Een paar oude vaste klanten naast me. Ik groette ze om een beetje te zieken: ‘Hoe gaat het, Gewoontedrinkers?’ Ze begrepen de grap niet en we kletsten wat over van alles en nog wat. Eentje vraagt me wat ik doe. Ik zeg niks, ik heb geen werk. En een ander, die tot dat moment geen woord had gezegd, zegt me met dubbele tong: ‘Wil je in het gemeenteziekenhuis werken? Da’s niet verkeerd, je hebt weinig te doen. Ik ben vandaag vertrokken en mijn plek is vacant.’

   ‘En als het zo goed is, waarom ben je dan vertrokken? Wat deed je daar?’ vroeg ik hem.

   ‘Ik was in de aardappelkamer. Ga erheen, praat met dokter Simon en zeg hem dat ik je heb gestuurd. Dat Rafael je heeft gestuurd. Het zal je bevallen. Zo’n baantje wil iedereen wel.’

   De volgende dag kwam ik bij het gemeenteziekenhuis en vroeg naar dokter Simon. Ik veronderstelde dat ik de hele dag aardappels moest schillen. Ze stuurden me een paar donkere gangen door, ik wachtte een hele tijd, eindelijk stond ik tegenover dokter Simon: ‘Rafael zei me dat ik u moest zien. Hij zegt dat hij een vacante plek heeft achtergelaten.’

   ‘Ja, we moesten hem eruit gooien.’

   ‘Aha, hij zei me niet dat hij eruit gegooid is.’

   ‘Hij heeft mazzel dat we ’m alleen maar ontslagen hebben en hem niet voor het gerecht hebben gesleept.’

   ‘Beschuldigd waarvan?’

   ‘Verkrachting van lijken.’

   ‘Wát? Maar werkte hij niet in de aardappelkamer?’

   ‘De aardappelkamer, ja, zo noemen ze het mortuarium. En het is verboden het zo te noemen. Bent u een vriend van die Rafael?’

   ‘Nee, ik heb hem toevallig ontmoet.’

   ‘Hij is niet wijs. We betrapten hem terwijl hij het lijk van een vrouw aan het verkrachten was. Ikzelf probeerde hem weg te trekken, maar hij is zo gestoord dat hij me negeerde tot hij zijn orgasme had. Zijn orgasme in een lijk! En daarna probeerde hij een klacht in te dienen bij de vakbond en een schandaal te organiseren omdat ik hem op staande voet ontsloeg.’

   ‘Is hij achterlijk?’

   ‘Hij moet een grensgeval zijn. Ik weet het niet. Hij bekende dat hij het altijd deed. En hij heeft hier drie jaar gewerkt.’

   ‘Onze Lieve Heer heeft vreemde kostgangers.’

   ‘De vacante plek is die van assistent. U moet de artsen helpen bij de autopsie.’

   ‘Dokter, ik geloof niet dat ik dat zal kunnen. Met die lijkenpikkers? Nee. Dat kan ik niet.’

   ‘Je moet voorbereid zijn. De meeste mensen kunnen het niet.’

   ‘Wij mensen zijn voorbereid op het leven, niet op de dood.’

   ‘Als u werk zoekt in een ziekenhuis, kunt u beter stoppen met filosoferen.’

   ‘Nee, niks geen filosofie.’

   ‘Ik geloof dat ze bij het steriliseerapparaat een assistent nodig hebben.’

   Ik ging naar de steriliseerruimte. Daar staat een enorme hogedrukketel, waar ze al die aftandse instrumenten in pleuren. Ze worden gedesinfecteerd en opnieuw gebruikt. Het was mijn taak om ze van alle afdelingen te verzamelen. Ik ging de zalen af met een karretje en ze gaven me tangetjes, naalden, dat soort dingen. Acht uur lang een karretje duwen, voor honderdtwintig pesos per maand. Grotere armoede is onmogelijk. Evengoed was het wel vermakelijk. Ik kon het een paar maanden doen en op iets beters wachten. Zo vergaat het je in het leven. Wachtend op iets beters. En dan waren er de verpleegsters. De vrolijke verpleegsters. Sommige vond ik leuk en een paar vonden mij leuk. Ik ging met twee of drie van hen uit. Verpleegsters zijn prima. Ze zijn vrolijk, eenvoudig, ruimdenkend. Niks geen verwikkelingen met intelligentie en sluwheid. Nee hoor, niks gecompliceerds. En ze geven je een goed gevoel. Het enige is dat ze stuk voor stuk aspiraties hebben met een arts te trouwen om per auto te komen en te gaan, en een serieus gezicht te zetten alsof ze heel druk zijn, en zonder iemand aan te kijken. Dan gebruiken ze een hoop make-up en dragen ze kettingen en mooie witte jassen die ze cadeau gestuurd krijgen vanuit Miami door de familie van de arts. Sommigen hadden het al voor elkaar een arts in de valkuil te laten stappen. Hun vaginale valkuil, bedoel ik. Prima. De rest van de dames is er nog, vrolijk, lawaaiig, vrij. En vooral eenvoudig. Zo zouden ze zijn tot ze eindelijk een arts gestrikt hadden.

   Dus ik legde het aan met een van hen. Lekker vrolijk, lawaaiig en vrij. Een grote mulattin en nog steeds een beetje mooi. Maar wel op haar retour. Ze heet Rosaura. Ze had een kind met een arts, blank natuurlijk, maar het lukte maar niet te trouwen en in die auto te klimmen. Ze neemt nog steeds de bus. Toen ze veertig werd, gaf ze het op. Er is veel concurrentie van de jonge, mooie verpleegsters. We gaan uit en dat is prima. Ik weet niet waarom, maar verpleegsters zijn erg onbekommerd. Ze pijpen je vrijmoedig, ze strippen voor je, drinken rum, masturberen, ze fluisteren je pornoverhalen in het oor. Autobiografische verhalen, bedoel ik. Ze doen een sex-show voor je en ze weten hóe. Nou ja, misschien had ik mazzel en leerde ik de meeste erotische kennen. Maar ik hou daarvan. Ik kan niet tegen spelletjes spelen. En mensen die preuts zijn met sex, zijn bezig met zwendel als ze gekleed zijn. Ik heb het vaak genoeg kunnen vaststellen.

   Alles ging goed. Mijn nederige werk maakte haar niet uit, evenmin als het symbolische salaris. Alleen dat ik blank was was belangrijk. We hadden goede sex en fair play. Dat is het enige wat ertoe deed voor haar. Mulattinnen zijn erg racistisch. Veel meer dan blanken en zwarten. Ik weet niet wat er aan de hand is, maar ze kunnen negers niet uitstaan. Rosaura zei me altijd: ‘Nooit heb ik een zwarte vriend gehad. Naar bed gaan met een neger? Iíík?! Bah, nee. Als ze een beetje zweten, beginnen ze meteen te stinken. Bovendien zijn ze erg bruut.’ Een mysterie was het niet: op een dag ging ik naar haar huis, en haar moeder is erg zwart. Ze zegt dat haar vader juist erg blank was. Over al die dingen praten ze hardop. Klaar. Geen mysterie. Meer een soort idiote komedie.

   Rosaura heeft twee broers. Ze werken niet. Ze waren thuis en we dronken rum. We praatten, allemaal heel normaal. De oude vrouw zei me later dat ik op een andere dag terug moest komen om de santos te raadplegen. Ze nam me mee naar de kamer van de santos. Een goed geoutilleerde kamer, nogal heftig. Ze liet me de kamer zien om me te waarschuwen. Alsof ze zei: ‘Kijk wat ik hier heb. Als je Rosaura ook maar een haar krenkt, zul je het weten.’ De oude santera is een harde dame. Ze draagt zorg voor haar familie. Dat is het enige wat ze heeft: kinderen en kleinkinderen.

   Hoe dan ook, alles ging goed met Rosaura. Alles heel vrij, heel vrolijk. O, wat fijn. Maar op een morgen komt er een arts naar haar zaal, dorstig, zwetend, opent de koelkast, neemt het glas van Rosaura met ijskoud water, en drinkt ervan. Rosaura, die het ziet, wordt boos: ‘Hee, varken, waarom gebruik je mijn glas? Geef hier!’ En ze loopt naar hem toe om het af te pakken. De arts denkt dat hij leuk is en proest een straaltje water in haar gezicht. Rosaura wordt nog bozer en geeft hem een klap in zijn gezicht. De arts veronderstelt dat ze aan het dollen zijn, maar Rosaura is boos. De arts is karateka. Hij gooit het glas op de grond en neemt haar in een houdgreep. Er volgt een schermutseling, Rosaura valt op de grond, op haar billen, en breekt haar ruggengraat. Later kwamen ze er achter dat ze osteoporose heeft. Ze opereren haar en zetten haar in het gips van haar nek tot haar stuitje.

   Als haar broers het verhaal te weten komen, pakken ze twee grote slagersmessen en gaan in het hele ziekenhuis op zoek naar de arts. Die ontsnapte op tijd, verborg zich, en de politie werd gebeld. De twee negers werden gearresteerd. Rosaura beschuldigt de arts en een collega van hem dat die hem dekt. Verwijdering van het werk en nietigverklaring van hun titels wordt er geëist. ‘Nu ik boven op de ezel zit, zal ik hem slaan tot het einde,’ zei Rosaura me. Inmiddels kan ze haar benen niet meer bewegen. Een botsplinter heeft haar ruggenmerg beschadigd. Het ziet ernaar uit dat ze altijd in een rolstoel zal moeten zitten.

   De oude vrouw wil ook haar steentje bijdragen: ‘Mijn mooiste dochter invalide, en mijn twee zonen opgesloten. Die hufter zal boeten. Hij zal boeten voor alles wat hij heeft gedaan. Pedro Juan, je moet iets van hem voor me meebrengen. Een hemd, een zakdoek, iets. Ik sla ’m aan gort, verdomme! Hij zal er spijt van krijgen dat hij geboren is. Ik zal niet rusten voor ik hem in een rolstoel zie. Breng iets van hem mee, mijn zoon, wat dan ook, steel iets van hem waar zijn zweet op zit, en breng het hier, dan maak ik korte metten met hem. Vooruit, je bent hier nu de man in huis.’

   Verdomme, en ik had het zo goed voor elkaar. Waarom in vredesnaam heb ik ooit naar die vrouw gekeken?

© Pedro Juan Gutiérrez

    Vrolijk, vrij en lawaaiig opdraven in Dirty Havana.

Lezen overigens Niks te doen, Sterren en lafbekken, We kwamen de kooien uit, Mijn kont in gevaar, Twijfels, veel twijfels.
 
   
   
Arriba