|
Ik ging naar het platteland,
kocht eten, bracht het mee en verkocht het in Havana. Van
alles werd er verkocht. Van knoflook en citroenen tot ossevlees.
Wat dan ook maar. Ik kwam bij het huis van een boer en hij
had een dood paard dat op de binnenplaats lag. Met al een
half opgezwollen buik. Nauwelijks kon de boer de negers tegenhouden:
een drom negers, met machetes, messen en zakken. Een meute.
Ik telde ze: acht negers, mager, hongerig, vuil, met uitpuilende
ogen, gekleed in vodden. De boer legde ze uit dat het beest
ziek was gestorven en snel aan het wegrotten was. Dat betwistten
ze hem ook niet, ze vroegen hem slechts er een stuk vanaf
te mogen halen en zij zelf zouden het hoofd begraven, de romp,
wat er overbleef van dat schurftige, broodmagere beest dat
daar overdekt lag met groene vliegen. Uit de kont kwamen maden
en pus.
‘Waarom laat je
ze hem niet opeten en klaar ben je?’ vroeg ik hem.
‘Nee, Ik wacht
op de politie. Als zij niet vaststellen dat het beest ziek
stierf, slepen ze me voor het gerecht.’
‘En daarna?’
‘Daarna mogen ze
’m eten wat mij betreft, wat interesseert mij dat nou.’
Ik vroeg hem of hij kippen
had, eieren, wat dan ook.
Maar de vent wilde alleen
maar dat de politie kwam om van het gedoe af te zijn. Hij
zei me: ‘Zie je dat, Havanero? Ha, en wij vonden de
Angolezen bruten omdat ze gebraden muizen aten! En de Ethiopiërs
omdat ze de rotte ingewanden van de koeien aten! Nu zijn wíj
aan de beurt. Hier zijn zelfs geen katten meer over. De mensen
hebben ze opgegeten. Zorg voor een kat en ik koop ’m
van je. De ratten vreten het huis op.’
Het leek me dat hij de
schrik flink te pakken had. De zwarten waren agressief.
Ik kende een van hen.
Andere keren had hij me geholpen om boeren te vinden die wel
eten hadden en verkochten. Hij en zijn familie veranderden
drie keer in een jaar van achternaam en ze dachten nog steeds
dat het niet helemaal in orde was. Honderd jaar eerder droegen
de slaven dezelfde achternamen als hun eigenaren. Ze doopten
ze met elke willekeurige christelijke naam en de achternaam
van de eigenaar. Maar deze mensen wisten niet precies bij
welke familie hun overgrootouders en grootouders hoorden.
Laat staan dat ze wisten waar Nigeria of Guinea lag. Ze vergaten
alles. In nauwelijks honderd jaar. Nu willen ze alleen nog
maar mengen met de blanken. Zij zeggen ‘opdat het ras
vooruitgaat’. En ze hebben gelijk. De halfbloeden zijn
veel beter in alles dan de pure zwarten en de pure blanken.
Goeie zaak, rassenvermenging.
Deze zwarte was een sympathieke
vent. Altijd maar aan het lachen.
‘Hoe is het Gener-Iglesias-Piemienta?’
‘Ha Havanero, vechtend
voor de goede zaak hier.’
‘Ik zie ’t
ja. Dat paard is verrot. Laat liggen.’
‘Nee, als ik hem
in het vuur houd, dan is er geen rottigheidje dat het overleeft.’
‘Weet jij van iemand
met wat handel, compadre?’
Hij dacht even na en
zei: ‘Ja, Carmelo, de oude kleurling aan de overkant.
Gisteren had hij jonge kaas. Misschien heeft hij nog over.’
Ik ging op zoek naar
Carmelo. Hij had niet meer. Met twee koeien maakt hij maar
weinig. De mensen rukten het hem uit zijn handen.
De trein stond op het
punt te arriveren. Ik had geen tijd meer om nog verder te
wandelen over de velden. Ongelooflijk maar waar: ik kwam terug
met lege handen. De trein kwam ’s middags om iets over
zes. De hele nacht zat ik te knikkebollen en hongerig te zijn
in die duistere wagon, die stonk naar viezigheid en urine,
propvol met honderden mensen die naar Havana terugkeerden
met kippen, varkens en schapen. Met zakken rijst en voedsel.
De enige idioot met lege handen was ik. Kut, kloten, iedere
keer dat ik eraan dacht had ik zin om met mijn kop tegen de
wagonwand te bonken. Ik had niet goed gezocht. Ik had iets
kunnen vinden, citroenen, sinaasappelen, iets om in ieder
geval de treinrit te betalen.
We deden onze intrede
in de jungle. Met een trap onder onze kont. We kwamen uit
onze kooien en begonnen de strijd in het oerwoud. Dat was
het punt. We kwamen stram die kooien uit. Traag en bangig.
We hadden geen idee hoe de strijd was in het oerwoud. Maar
we moesten hem strijden. Vijfendertig jaar waren we opgesloten
geweest in de kooien van de Dierentuin. Men gaf ons wat eten
en wat medicijnen, maar geen flauw idee hadden we van hoe
het leven was buiten de tralies. En plotseling moet je de
jungle in. Met een ingeslapen brein en slappe, zwakke spieren.
Alleen de besten konden wedijveren om het leven in de jungle.
Ik probeerde het. Uit alle macht.
De trein kwam aan toen
het licht werd. Ik woon dicht bij het station. Ik ging naar
huis, klom de acht verdiepingen naar boven zo goed als ik
kon en gooide me op bed om te slapen. Ik had een nachtmerrie:
een vent – ikzelf – met een mes kwam dichterbij
en sneed een paar biefstukken uit mijn buik. Hij praatte zonder
ophouden, maar ik luisterde niet naar hem. Ik weet niet wat
hij zei. Ik schreeuwde van pijn iedere keer als er een stuk
uit me gesneden werd. Er kwam geen bloed uit. Alleen rode,
verse filets, en ik maar gillen. Toen werd ik wakker. Er werd
op de deur gebonkt en geschreeuwd: ‘Pedro Juan! Pedro
Juan!’
Het was Caridad, hysterisch,
ze sleurde het kind aan de hand mee. Vijf jaar geleden scheidden
we en we hebben dat jongetje van zes met z’n tweeën.
Zij is een prachtige, geile negerin. Heel mooi. Lazarito kwam
eruit als mulat, maar prachtig. Met zes jaar lijkt hij wel
tien. Hij heeft het beste geërfd van ons tweeën.
Toevallig: precies wat ik een stukje terug geschreven had.
Caridad kwam binnen als
een wervelwind en liet me niet eens praten. Sinds een jaar
woont ze met een blanke pooier, een klootzak en vrouwenversierder.
Ze houdt niet van zwarten.
‘Ik betrapte Roberto
erop dat hij Lazarito aan het afzuigen was! Hij was hem aan
het pijpen en zich aan het aftrekken, de ontzettende klootzak!
Je moet ’m vermoorden, Pedro Juan! Je moet ’m
vermoorden, verdomme! Het is een flikker, die gore eikel,
en hij wil dat mijn zoon het ook wordt!’
‘Wacht even, kalmeer.
Ga even zitten en vertel me wat er is gebeurd.’
‘En jij doet zó,
alsof er niks gebeurd is? Heb jij geen bloed door je aderen
stromen, man?’
‘Natuurlijk wel.
Maar wat gebeurde er?’
‘Niks. Ik ga je
geen klote vertellen. Ik ging vroeg weg en kwam snel terug.
Hij verwachtte me later. Ik betrapte hem. Ik gooide een keukenmes
naar hem, maar raakte hem niet. Ik had dat mes in hem moeten
planten. Het kind sliep nog half, in bed, en hij was hem aan
het afzuigen en aftrekken.’
Lazarito had een verschrikt
gezicht en huilde.
‘Nu ga ik naar
de politie om hem van kindermisbruik te beschuldigen! De hufter.
Ik rust niet voor ik hem achter de tralies heb.’ En
tegen het kind terwijl ze hem bij een arm door elkaar schudde:
‘En jij moet een vent worden, verdomme, jij moet een
vent worden! Waarom liet je dat nou toe? Zeg eens, waarom
liet je dat toe?’
Lazarito begon keihard
te huilen.
‘Huil niet, verdomme,
mannen huilen niet! Hou op met huilen, jij bent een vent!’
En ze vertrok, de jongen
met zich meesleurend: ‘Zoek hem en sla hem in elkaar,
Pedro Juan! Zoek hem en vermoord hem, ik ga naar de politie!’
Ik zocht hem niet en
vermoordde hem ook niet. Ik sliep tot de middag en stond op
met een gruwelijke honger. Ik wilde me wassen en naar buiten
om iets te eten op te scharrelen. Maar daar verscheen Caridad
weer. Net zo hysterisch, nog niks gekalmeerd. Nog steeds sleurde
ze Lazarito bij de arm mee: ‘Je bent een lafaard! Vanaf
vandaag is dit niet meer je zoon, omdat jij hem niet weet
te verdedigen. Waarom heb je het smoel van die zak niet aan
barrels geslagen? Ga me nou niet vertellen dat je bang bent.
Je bent een lafaard. Probeer niet meer met me te praten of
het kind te zien. Ik wil je niet zien. De klootzak is gearresteerd
en krijgt een proces. Maar ík dien de aanklacht in,
omdat jíj een schijterd bent. Vanaf dit moment ben
ik de vader en de moeder van Lazarito, omdat jij nietsnut
bent en een bange schijtlaars.’
En ze ging weg zonder
me de kans te geven iets te zeggen. Ik bleef in de deuropening
staan. Dacht na. Nee. Ik had niks te denken. Mijn brein was
leeg. En ik had zelfs geen glas rum bij de hand.
© Pedro Juan Gutiérrez
We
kwamen de kooien uit opdraven in Dirty
Havana.
|