Inicio
 
   
  Trilogía sucia de La Habana (story)  
 
We kwamen de kooien uit (etage)
Pedro Juan Gutiérrez

   Ik ging naar het platteland, kocht eten, bracht het mee en verkocht het in Havana. Van alles werd er verkocht. Van knoflook en citroenen tot ossevlees. Wat dan ook maar. Ik kwam bij het huis van een boer en hij had een dood paard dat op de binnenplaats lag. Met al een half opgezwollen buik. Nauwelijks kon de boer de negers tegenhouden: een drom negers, met machetes, messen en zakken. Een meute. Ik telde ze: acht negers, mager, hongerig, vuil, met uitpuilende ogen, gekleed in vodden. De boer legde ze uit dat het beest ziek was gestorven en snel aan het wegrotten was. Dat betwistten ze hem ook niet, ze vroegen hem slechts er een stuk vanaf te mogen halen en zij zelf zouden het hoofd begraven, de romp, wat er overbleef van dat schurftige, broodmagere beest dat daar overdekt lag met groene vliegen. Uit de kont kwamen maden en pus.

   ‘Waarom laat je ze hem niet opeten en klaar ben je?’ vroeg ik hem.

   ‘Nee, Ik wacht op de politie. Als zij niet vaststellen dat het beest ziek stierf, slepen ze me voor het gerecht.’

   ‘En daarna?’

   ‘Daarna mogen ze ’m eten wat mij betreft, wat interesseert mij dat nou.’

   Ik vroeg hem of hij kippen had, eieren, wat dan ook.

   Maar de vent wilde alleen maar dat de politie kwam om van het gedoe af te zijn. Hij zei me: ‘Zie je dat, Havanero? Ha, en wij vonden de Angolezen bruten omdat ze gebraden muizen aten! En de Ethiopiërs omdat ze de rotte ingewanden van de koeien aten! Nu zijn wíj aan de beurt. Hier zijn zelfs geen katten meer over. De mensen hebben ze opgegeten. Zorg voor een kat en ik koop ’m van je. De ratten vreten het huis op.’

   Het leek me dat hij de schrik flink te pakken had. De zwarten waren agressief.

   Ik kende een van hen. Andere keren had hij me geholpen om boeren te vinden die wel eten hadden en verkochten. Hij en zijn familie veranderden drie keer in een jaar van achternaam en ze dachten nog steeds dat het niet helemaal in orde was. Honderd jaar eerder droegen de slaven dezelfde achternamen als hun eigenaren. Ze doopten ze met elke willekeurige christelijke naam en de achternaam van de eigenaar. Maar deze mensen wisten niet precies bij welke familie hun overgrootouders en grootouders hoorden. Laat staan dat ze wisten waar Nigeria of Guinea lag. Ze vergaten alles. In nauwelijks honderd jaar. Nu willen ze alleen nog maar mengen met de blanken. Zij zeggen ‘opdat het ras vooruitgaat’. En ze hebben gelijk. De halfbloeden zijn veel beter in alles dan de pure zwarten en de pure blanken. Goeie zaak, rassenvermenging.

   Deze zwarte was een sympathieke vent. Altijd maar aan het lachen.

   ‘Hoe is het Gener-Iglesias-Piemienta?’

   ‘Ha Havanero, vechtend voor de goede zaak hier.’

   ‘Ik zie ’t ja. Dat paard is verrot. Laat liggen.’

   ‘Nee, als ik hem in het vuur houd, dan is er geen rottigheidje dat het overleeft.’

   ‘Weet jij van iemand met wat handel, compadre?’

   Hij dacht even na en zei: ‘Ja, Carmelo, de oude kleurling aan de overkant. Gisteren had hij jonge kaas. Misschien heeft hij nog over.’

   Ik ging op zoek naar Carmelo. Hij had niet meer. Met twee koeien maakt hij maar weinig. De mensen rukten het hem uit zijn handen.

   De trein stond op het punt te arriveren. Ik had geen tijd meer om nog verder te wandelen over de velden. Ongelooflijk maar waar: ik kwam terug met lege handen. De trein kwam ’s middags om iets over zes. De hele nacht zat ik te knikkebollen en hongerig te zijn in die duistere wagon, die stonk naar viezigheid en urine, propvol met honderden mensen die naar Havana terugkeerden met kippen, varkens en schapen. Met zakken rijst en voedsel. De enige idioot met lege handen was ik. Kut, kloten, iedere keer dat ik eraan dacht had ik zin om met mijn kop tegen de wagonwand te bonken. Ik had niet goed gezocht. Ik had iets kunnen vinden, citroenen, sinaasappelen, iets om in ieder geval de treinrit te betalen.

   We deden onze intrede in de jungle. Met een trap onder onze kont. We kwamen uit onze kooien en begonnen de strijd in het oerwoud. Dat was het punt. We kwamen stram die kooien uit. Traag en bangig. We hadden geen idee hoe de strijd was in het oerwoud. Maar we moesten hem strijden. Vijfendertig jaar waren we opgesloten geweest in de kooien van de Dierentuin. Men gaf ons wat eten en wat medicijnen, maar geen flauw idee hadden we van hoe het leven was buiten de tralies. En plotseling moet je de jungle in. Met een ingeslapen brein en slappe, zwakke spieren. Alleen de besten konden wedijveren om het leven in de jungle. Ik probeerde het. Uit alle macht.

   De trein kwam aan toen het licht werd. Ik woon dicht bij het station. Ik ging naar huis, klom de acht verdiepingen naar boven zo goed als ik kon en gooide me op bed om te slapen. Ik had een nachtmerrie: een vent – ikzelf – met een mes kwam dichterbij en sneed een paar biefstukken uit mijn buik. Hij praatte zonder ophouden, maar ik luisterde niet naar hem. Ik weet niet wat hij zei. Ik schreeuwde van pijn iedere keer als er een stuk uit me gesneden werd. Er kwam geen bloed uit. Alleen rode, verse filets, en ik maar gillen. Toen werd ik wakker. Er werd op de deur gebonkt en geschreeuwd: ‘Pedro Juan! Pedro Juan!’

   Het was Caridad, hysterisch, ze sleurde het kind aan de hand mee. Vijf jaar geleden scheidden we en we hebben dat jongetje van zes met z’n tweeën. Zij is een prachtige, geile negerin. Heel mooi. Lazarito kwam eruit als mulat, maar prachtig. Met zes jaar lijkt hij wel tien. Hij heeft het beste geërfd van ons tweeën. Toevallig: precies wat ik een stukje terug geschreven had.

   Caridad kwam binnen als een wervelwind en liet me niet eens praten. Sinds een jaar woont ze met een blanke pooier, een klootzak en vrouwenversierder. Ze houdt niet van zwarten.

   ‘Ik betrapte Roberto erop dat hij Lazarito aan het afzuigen was! Hij was hem aan het pijpen en zich aan het aftrekken, de ontzettende klootzak! Je moet ’m vermoorden, Pedro Juan! Je moet ’m vermoorden, verdomme! Het is een flikker, die gore eikel, en hij wil dat mijn zoon het ook wordt!’

   ‘Wacht even, kalmeer. Ga even zitten en vertel me wat er is gebeurd.’

   ‘En jij doet zó, alsof er niks gebeurd is? Heb jij geen bloed door je aderen stromen, man?’

   ‘Natuurlijk wel. Maar wat gebeurde er?’

   ‘Niks. Ik ga je geen klote vertellen. Ik ging vroeg weg en kwam snel terug. Hij verwachtte me later. Ik betrapte hem. Ik gooide een keukenmes naar hem, maar raakte hem niet. Ik had dat mes in hem moeten planten. Het kind sliep nog half, in bed, en hij was hem aan het afzuigen en aftrekken.’

   Lazarito had een verschrikt gezicht en huilde.

   ‘Nu ga ik naar de politie om hem van kindermisbruik te beschuldigen! De hufter. Ik rust niet voor ik hem achter de tralies heb.’ En tegen het kind terwijl ze hem bij een arm door elkaar schudde: ‘En jij moet een vent worden, verdomme, jij moet een vent worden! Waarom liet je dat nou toe? Zeg eens, waarom liet je dat toe?’

   Lazarito begon keihard te huilen.

   ‘Huil niet, verdomme, mannen huilen niet! Hou op met huilen, jij bent een vent!’

   En ze vertrok, de jongen met zich meesleurend: ‘Zoek hem en sla hem in elkaar, Pedro Juan! Zoek hem en vermoord hem, ik ga naar de politie!’

   Ik zocht hem niet en vermoordde hem ook niet. Ik sliep tot de middag en stond op met een gruwelijke honger. Ik wilde me wassen en naar buiten om iets te eten op te scharrelen. Maar daar verscheen Caridad weer. Net zo hysterisch, nog niks gekalmeerd. Nog steeds sleurde ze Lazarito bij de arm mee: ‘Je bent een lafaard! Vanaf vandaag is dit niet meer je zoon, omdat jij hem niet weet te verdedigen. Waarom heb je het smoel van die zak niet aan barrels geslagen? Ga me nou niet vertellen dat je bang bent. Je bent een lafaard. Probeer niet meer met me te praten of het kind te zien. Ik wil je niet zien. De klootzak is gearresteerd en krijgt een proces. Maar ík dien de aanklacht in, omdat jíj een schijterd bent. Vanaf dit moment ben ik de vader en de moeder van Lazarito, omdat jij nietsnut bent en een bange schijtlaars.’

   En ze ging weg zonder me de kans te geven iets te zeggen. Ik bleef in de deuropening staan. Dacht na. Nee. Ik had niks te denken. Mijn brein was leeg. En ik had zelfs geen glas rum bij de hand.

© Pedro Juan Gutiérrez

   We kwamen de kooien uit opdraven in Dirty Havana.

Lezen overigens Niks te doen, Sterren en lafbekken, Mijn kont in gevaar, Vrolijk, vrij en lawaaiig, Twijfels, veel twijfels.
 
   
   
Arriba